Onze Lieve Vrouw ter Nood

Onze Lieve Vrouw ter Nood

Een belangrijke historische plek in Heiloo is het bedevaartsoord Onze Lieve Vrouw ter Nood. De vroegste vermelding met een verwijzing naar de kapel die daar gestaan heeft, is uit 1409. Dat betekent dat deze plaats, met deze functie van kapel, inmiddels in 2009 minstens 600 jaar bestaat. Het bedevaartsoord heeft in het langdurig bestaan perioden van bloei en van neergang gekend. Soms was er sprake van turbulente tijden en er zijn tijden geweest dat kapel en activiteiten vrijwel waren verdwenen. Maar elke keer leefden de activiteiten na verloop van tijd weer op. In 1573 werd aan de kapel een grote slag toegebracht doordat deze tijdens het beleg van Alkmaar, evenals vele andere kerken in de regio, werd verwoest.

Ruim 60 jaar bleef er nog een ruïne staan, die toch ook aantrekkingskracht had op de bedevaartgangers. Maar in 1637 moest ook de ruïne op last van de protestantse overheid worden afgebroken. In de periode rond 1905 werd het bedevaartsoord weer opgebouwd en heringericht.
In vele publicaties wordt de geschiedenis van deze Mariabedevaartsplaats verhaald. De meest recente publicatie, ‘’t Putje van Heiloo’, door drs. Ottie Thiers 1 verscheen in 2005 ter gelegenheid van het feit dat het honderd jaar geleden was dat het bedevaartsoord heringericht werd. Anders gezegd: het was in 2005 het jaar van de herdenking van honderd jaar heropleving van de devotie.
Vijfentwintig jaar daarvoor publiceerde drs. Joan Bertrand ‘De Runxputte en Onze Lieve Vrouw ter Nood’ 2 en in 1933 verscheen ‘Onze Lieve Vrouw ter Nood voorheen en thans’ door W. Nolet 3
Naast deze publicaties zijn tal van artikelen of hoofdstukken in boekuitgaven verschenen zoals door P.J. Margry in ‘Heiloo voor en na Willibrord’ 4

Blijkbaar is er altijd een behoefte geweest om de geschiedenis van de plaats te bestuderen en vast te leggen. Het gaat in deze publicaties om de geschiedenis, de culturele waarden en ook de religieuze aspecten van dit deel van Heiloo.

Van de rijke geschiedenis van de bedevaartsplaats, die grote bekendheid aan Heiloo heeft gegeven, worden in dit kader slechts enkele belangrijke onderwerpen globaal weergegeven.

De vroegste geschiedenis
In 1409 en nog eens in 1440 zijn er eerste vermeldingen van de kapel. Het gaat om een rekening van ’t Utrechtse Domkapittel uit 1409 waarin wordt gesproken over een vicaris (kapelaan ) die aan de Heiloose kapel verbonden is 5.
In 1440 is er sprake van een leenbrief van Harper van Foreest, waarin de kapel van Onze Lieve Vrouw te Heiloo ter sprake komt. Er wordt in deze documenten gesproken van Onze Lieve Vrouwe Caepelle in de banne van Heiloo. In die periode 
bestond Heiloo uit twee dorpen: Heiloo en Oesdom. Het zuidelijk deel van het huidige Heiloo droeg de naam Oesdom. Pas in 1509 werden de bannen Oesdom en Heiloo samengevoegd tot een banne Heiloo, terwijl ook na dit jaar nog in veel documenten (bijv. transportacten) de benaming Oesdom gebruikt wordt. Het is merkwaardig dat het in de vijftiende eeuw dan toch een kapel in Heiloo wordt genoemd. Er bestaan veel speculaties over de benaming van Runxputte en Oesdom die voor het bedevaartsoord gebruikt worden. Daarnaast wordt dit deel van Heiloo ook wel aangeduid met de naam Kapel. Bij de naam Runxputte wordt gedacht aan een al eiding van de naam Rorik, een hoofdman van de Noormannen in deze regio. In een van de beschrijvingen van heiligen, n.l. van de heilige Donatius, die in Brugge wordt vereerd, gaat een vrouw naar de Roriksput in Osdenne water halen. Gedacht werd dat hiermee Runxputte en Oesdom bedoeld werd. Tegenwoordig gaat men ervan uit dat dit toch allemaal enigszins speculatief is en er ook op taalkundige gronden geen afleiding van Rorik naar Runxputte voor de hand ligt. Een roemrijk verleden in de vroegere middeleeuwen is niet aan te tonen. Er zijn geen aanwijzingen voor gevonden. De naam Runxput wordt nu gebruikt voorde put die zich op het terrein bevindt.
In de akten die zich in het Regionaal Archief Alkmaar bevinden uit de periode van 1550 tot 1800, waarin het gaat over grond gelegen in Oesdom, komen namen als Cruijslant, Capelkroft, Capelacker voor. Een keer in 1575 wordt de ligging van een stukje grond beschreven als: “stuck saetlant met wat weytlant daaran, 1½ morgen, in de banne van Oesdom bewesten van de Vrouwe Capelle te Runxputte“ 6

In diverse publicaties wordt ook nog gesproken over de Kruisberg en de Kruipberg. De Kruipberg zou de plaats zijn waar de Kapel gestaan heeft. De pelgrims zouden rondom de Kapel kruipend hun gebeden zeggen. De Kruisberg is een plaats gelegen aan de oostkant van de Hoogeweg 7

De naamgeving Onze Lieve Vrouw ter Nood is ook veelvuldig bediscussieerd. Deze benaming komt in de laatmiddeleeuwse geschriften nog niet voor. In de discussie gaat het over de beide betekenissen die men aan deze naam kan hechten. De eerste is O.L. Vrouw ter Nood als Nood Gods ofwel de O.L. Vrouw van Smarten, de Piëta. In de tweede betekenis gaat het om de hulp die Maria zou kunnen geven aan de mensen in Nood. Uiteindelijk werd voor Heiloo de laatste betekenis algemeen aanvaard.

Voor de vroegste periode in de geschiedenis van het bedevaartsoord geldt ook de vraag in welke mate in de periode rond 1500 er sprake was van devotie in Heiloo voor Willibrord en of die devotie samenviel met die voor Maria. Voor die periode zijn hierover geen gegevens voorhanden; voor de latere perioden is er wel verband tussen de vereringen van Willibrord en Maria in Heiloo.

Beleg van Alkmaar 1573
De belegering van Alkmaar in 1573 werd fataal voor het gebouw van de kapel dat er voor die tijd had gestaan.
Evenals de abdij van Egmond en de Willibrorduskerk (nu Witte Kerk) in Heiloo werd de kapel verwoest door de geuzen, onder leiding van Diederik van Sonoy, omdat deze gebouwen bij een te verwachten belegering van Alkmaar voor de Spaanse troepen als schuilplaatsen zouden kunnen dienen. In Oesdom bleef slechts een ruïne staan. Het lijkt erop dat deze ruïne in die tijd juist weer extra aantrekkingskracht krijgt op pelgrims en andere Mariavereerders.
Een gedicht van een anonieme dichter aan het begin van de zeventiende eeuw beschrijft de situatie. Er komen mensen bidden voor genezing van ziekten en pijnen. Het geeft ook een beschrijving van een groen altaar, dus in de open lucht met “de blaeu gestarnde Hemel” als gewelf. Het gedicht eindigt met de wens dat deze plaats niet meer uit onze gedachten zal verdwijnen.
Klik hier voor het gedicht
Een andere getuigenis van de activiteiten bij de ruïne vormt het schilderij van de Alkmaarse kunstschilder Gerrit Pietersz. De Jongh (zie: afb. 1). Een welgesteld echtpaar heeft zich in 1630 laten afbeelden bij de ruïne. Linksonder op een steen staat de tekst: ‘de Capel van onze Lvrouw de Runx putten tot Oesdom’. In de muurresten zien we een vaag gehouden afbeelding van Maria. Dit wijst misschien op een bestaand verschijningsverhaal.Deze afbeeldingen en nog vele andere lijken uit te wijzen dat er, in de periode na de verwoesting van de kapel, juist een opleving van de devotie en van de activiteiten op het bedevaartsterrein plaatsvindt. De meerderheid van de bevolking in Holland was, aan het einde van de 16e eeuw, nog steeds katholiek.

Afb. 1: Gezelschap bestaande uit een echtpaar, twee kinderen en een oudere vrouw met rozenkransen en gebedenboeken. Bovendien zien we nog enkele personen op een pad rondom de ruïne lopen of knielen en kruipen. Het schilderij van Gerrit Pieterz de Jongh. bevindt zich in het Catherijnen Convent, Utrecht. Maria verschijnt vaag tussen de brokstukken.

Afb. 2: Oorspronkelijk werd deze prent met het ondesrchrift: Afbeelding vande Capelle van ons Lie-vrauw te Runcxputte anders genaemt Ter Noot tot Heylo in Oesdom, uitgegeven door F. de Wit (1637-1690). Een exemplaar hangt nu in de Oudheidkamer Heiloo.

Afb. 3: Het ‘Hylo-er ryskaartje. Een hulpmiddel voor de pelgrims in de achttiende eeuw

De overheersende godsdienst was echter het calvinisme. De grote verbondenheid van de gereformeerden met de opstand en de strijd tegen de Spaanse troepen had tot deze situatie geleid. Mede daardoor was het overheidsbeleid in deze periode tegen het houden van bedevaarten gericht. Toch moeten er in de zeventiende eeuw op de plek waar de ruïne stond heel wat activiteiten geweest zijn.

In 1637 werd de ruïne op last van de overheid geheel afgebroken. Ook dit had geen effect; de plaats bleef men als een heilige plaats beschouwen. Plakkaten waarin het houden van bedevaarten verboden werd, werden niet nagevolgd. Er worden diverse protestacties genoemd, bijvoorbeeld de brief van twee gereformeerde predikanten aan de Staten van Holland. De acties van de baljuw van Kennemerland blijven echter beperkt. In 1647 wordt nog eens een oud plakkaat
(die waren ook al uitgevaardigd in 1587, 1588, 1590 en 1591) vernieuwd. Daarin wordt Heiloo ook expliciet genoemd als : “ de overblijfselen van seekere capelle, eertijds genaamd Onse Lieve vrouw ter Noodt”. Hierin wordt melding gemaakt van het of eren van geld en waskaarsen en het houden van druk bezochte bijeenkomsten.

Dit alles, het plegen van superstitiën (bijgelovige praktijken), kan niet worden getolereerd. De onderdrukking blijft een probleem voor de Staten. Dat blijkt ook uit het verschijnen in 1704 van het bekende Hylo-er ryskaartje. Een kaartje dat gemaakt is zoals het onderschrift vermeldt: “ tot dienst van de Hylo-er Pelgrims”. Ook een teken dat er activiteit was in het bedevaartsoord, met bezoekers vanuit diverse verder liggende plaatsen. Op het kaartje staan: ’t Capel met diverse herbergen met de namen St. Willibrort, ’t Haringbuysje, ’t Panne-huysje, ’t Stalleken van Bethlehem en ’t Capelleken. Op het kaartje staan de wegen naar Capel aangegeven en tevens de weg naar de St. Alberts Put Egmond Binnen en de weg naar de St. Willibrord Put in Heiloo.

1713, de wonderbare bron maakt Capel voorpaginanieuws
In 1713 ontstaat er grote opschudding. Noord- en Zuid-Holland worden geteisterd door de runderpest. Het gebied van Kapel wordt nog veel door pelgrims bezocht, maar de ruïne is allang verdwenen en de put is gedempt. In de nacht van 8 december (het feest van Maria Onbevlekt Ontvangenis) welde water op uit de grond. Het bericht verspreidt zich snel als: ‘de Runxputte is opnieuw ontsprongen en het water heeft een geneeskrachtige werking, het geneest de runderen’. Er wordt een bedevaartsprent gedrukt waarop te zien is hoe bedevaartgangers met kruiken en tonnen water halen bij de bron.
De wonderbaarlijke bron leidde weer tot het houden van processies en meer openlijk vertoon van de katholieken. De overheid schippert, laat oogluikend toe en moet bij al te provocatief optreden van de katholieken wel ingrijpen.
De bron maakt zoveel los dat zelfs de Europische Mercurius, een nieuwsblad voor zaken van Staat en Oorlog in Europa, er melding van maakt. De tekst luidt zoals afgedrukt in De Ommegangen en bedevaarten naar Heiloo en Oesdom in 1713 en 1714 8

Bij gelegentheit dat wij hier van de onmatige sterfte onder het rundvee hebben moeten spreken, zo mogen wy niet voorby te verhalen het Paeps verzonnen mirakel, ’t welk tusschen den 8 en 9 December (1713), zynde, zo men zegt, de nagt der ontfanckenisse van de H. Maagt Maria, zoude geschied zyn. Namentlijk, dat ter middernagt, op zekere bij hen zo genoemde Heilige Grond, tusschen Heylo en Limmen, twee bekende dorpen, gelegen nabij Alkmaar, ter plaatse waar over vele jaren een oude vervallen kapel stond, berugt door verscheide mirakelen, en onder deze, als de voornaamste, de verschijning van de Moeder Gods tusschen de muurbrokken, – zeer onverwagt een fontein was ontsprongen, verzelt van eenig ongewoon geraas, gelykende, zoals sommige slegte menschen begrepen, naar ’t geluit van hemelstemmen, om aanwijzing van deze nieuwe springbron te doen. Bij de voormelde grond staan alleen drie of vier huizen, welke dienen tot herbergen, meerendeels voor devotarissen, die hier van alle kanten komen om te bidden. De bewoners dezer huizen, des nagts in ’t donker die nieuwe waterfontein, springende met verscheide stralen hoog uit de aarde, gevonden hebbende, verbreiden zulks als een mirakel, met bijvoeging dat dit water Heilig en een zeer voortref elijk geneesmiddel tegens de thans besmettelijke ziekten der koeyen was; ja een der waarden hield dat zoodanig met styve kaken staande, dat zyne vertellingen by de eenvoudige Roomsgezinden gelooft en overal verspreid wier-den: invoege de boeren van wijd en zijds met kannen en vaatjes zich derwaarts begaven, om dat Heilig water tot herstellinge voor hare zieke runderbeesten te gaan halen. Ongemeen groot was de toevloey dezer onnozele menschen in de eertse dagen; dog het slegt ef ect van dat water deed dien loop welhaast stremmen, en aan luiden van een geoefend verstand, alschoon roomsgezind, klaarlyk bemerken, dat men dit voorgewend mirakel alleen voor een looze streek van de voormelde waard en zijn wijf, om hare slappe nering te verbetere, moest aanzien. Dit laten wy voor rekening der bygeloovige Papisten en ’t gene nu volgt aan het oordeel van regtzinnige geleerde medicijns.
N.B. In de tekst van de Mercurius staat hier een aankondiging van een geneesmiddel dat is uitgekomen in Hamburg ter bestrijding van de veepest. Het artikel eindigt met de zin: Deze voorstelling van “het Paaps verzonnen mirakel” mag wel een meesterstukje in hare soort heeten! Tot zover het artikel in de Mercurius, waarin de verhoudingen tussen het gereformeerde en het katholieke volksdeel zo goed tot uitdrukking komen. Tevens blijkt dat Kapel in die jaren een belangrijke plaats was, waar grote aantallen mensen naartoe trokken. Naar aanleiding van het tussenvoegsel, de vermelding van het geneesmiddel van de Hamburgse fabrikant, schrijft H.J. Allard in een voetnoot: “een advertissement, dezer dagen in Hamburg uitgekomen, behelzende een geneesmiddel voor de ziekte der hoornbeesten, ’t welk zeer heilzaam zoude zijn, en was ’t zelve daarom op orde van de regering aldaar in de courant geplaatst. Ziet hier dat recept…” Aan de kwakzal-verij geloofde dus “de slegte” Mercurius wel, niet aan de mogelijkheid van bovennatuurlijke wonderen. ’t Gebeurt wel meer.” En deze opmerking zegt weer iets over de positie van H.J. Allard.
Over de periode na 1713 zijn er nog diverse getuigenissen, die we vinden geciteerd bij De Rijk 9 op pagina 299: “Zóó ging het waarschijnlijk de geheele achttiende eeuw door. In 1750 heet het: ‘De Roomschgezinden bezoeken dit putje (van St. Willibrord) somtyds met godsdienstigen eerbied. Doch ruim zooveel bezoeks noch heeft ….. de zogenaamde Kruisberg en de grond, daar weleer de Kapelle te Runksputte of van Onze Lieve Vrouwe ter Nood gestaan heeft. Dit is een klein stuks and tusschen eenige huizen gelegen, op welks midden een Arm-bos gevonden wordt, waarin giften voor de gemeene Dorps-armen worden verzameld”. Deze beschrijving geeft de situatie dus mooi weer. Van belang is nog de collectebus voor de armen. Die zal later ook nog een rol spelen. De Staten beraden zich om aan de toestanden een einde te maken.
In het Alkmaars Jaarboekje 1973 staat een gedetailleerd verslag over de mogelijke transacties van grondaankoop die de Staten overwegen om een einde te maken aan de bezoeken van de roomschgezinden aan de Kruis- en Kruipberg. Uiteindelijk gebeurt er in 1768 niet meer dan de beplanting van de Kruis- en Kruipberg.

Opleving en neergang in de 19de eeuw
In het begin van de 19de eeuw, tijdens de Franse overheersing onder koning Lodewijk Napoleon, meenden de katholieken de devotie weer openlijk te kunnen uitoefenen. De scheiding van kerk en staat en gelijkstelling van alle gezindten wekte bij de katholieken verwachtingen. De bedevaarten nemen toe, maar tegelijk ontstaan er protesten tegen de processies en ook nu weer worden overheidsdienaren verzocht in te grijpen. Groepen die met vaandels en veel vertoon door het dorp trekken gaat
te ver, vindt men. Op 15 augustus 1807 wordt een processie gehouden die tot veel weerstand leidt. “ De bedevaartsplaats bezorgt nachtmerries aan drie ministers” schrijft Bertrand (pag 33) Ook in 1808 en in 1809 zijn er protesten tegen gehouden of geplande bedevaarten naar de kapel of naar de Sint Willibrordput in Heiloo.

Afb. 4: Op deze afbeelding wordt getoond hoe de mensen met kannen en vaten water halen. Tevens legt deze afbeelding de nadruk op de verschijning van O.L. Vrouw ter Nood in de ruïne

De minister van justitie stuurt een brief aan de aartspriester Ten Hulscher in Amsterdam waarin hij dringend verzoekt geen processies te houden. In die periode is het duidelijk dat het ook gaat om processies naar het Willibrordusputje in Heiloo. Blijkbaar vertrekt men dan vanaf Kapel en trekt door Heiloo naar de Willibrordusput. We zien de stoet trekken over de zanderige wegen, met aan beide kanten de wallen in Heiloo. Maar ondanks ministeriële bevelen blijven er strubbelingen, getuige Bertrand in zijn boek met de paragraaf “Wapengekletter vanuit Limmen”.Deze opleving tot het houden van bedevaarten werd zodanig onderdrukt dat de katholieken even ervan afzagen.Na 1817 leefde de verering weer even op. Er was ook een nieuwe situatie ontstaan. De godsdienstvrijheid maakte voor de katholieken de weg vrij voor emancipatie.
Uit Haarlem, Overveen, Akersloot en andere plaatsen komen de bedevaartgangers opdagen. Oeverhaus 10 schrijft: “Maar nu kwamen de problemen van een andere kant. Het stukje grond werd namelijk eigendom van de heer Verschuir, oudburgemeester van Alkmaar. Deze moest van de paapse belangstelling voor zijn bezit niets hebben en deed als Heer van Heiloo en Oesdom alles wat hij kon om het bezoek dezer plaats te beletten. De steenhoop, die er nog steeds lag nadat de ruïne omvergehaald was, liet hij opruimen. Nog gingen de bedevaarten door, natuurlijk met veel onaangenaamheden, tot 1830 toe. Toen kwam er een verbod van de kerkelijke overheid zelf”.

Nolet schrijft “ Omstreeks 1830 hielden de bedevaarten geheel op, en dat wel op last van de Kerkelijke Overheid ‘om de misbruiken, erbij voorvallenden, zijnde bijna een boerenkermis geworden, ook al door den toeloop van ongodsdienstige, onkatholieke beschimpers.”Bedevaarten in het algemeen bestonden uit een tocht met vaandels en kaarsen van het kapelland naar de Willibrordusput en daarbij ook nog een bezoek aan de Willibrorduskerk aan de Westerweg. Hoewel niet geheel
verii eerbaar blijkt uit een tekening (die zich in het Regionaal Archief Alkmaar bevindt), gemaakt door een zekere heer Konijn, die zich rond 1900 actief op het kapelterrein ophield, dat de tocht zelfs een bezoek bracht aan de Preekstoel, de plaats in het Heilooërbos ter hoogte van de Kuillaan.Maar, zoals gezegd, er kwam een einde aan de bedevaarten rond 1830.

De weg naar heropleving
De katholieke emancipatie gaat echter verder. In 1853 is het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie, Nederland is weer een volwaardige Kerkprovincie. De ontwikkelingen in Heiloo passen geheel in het patroon van de landelijke ontwikkelingen.
In 1868 is er in Heiloo een nieuwe parochiekerk aan de Westerweg, op dezelfde plaats waar daarvoor een schuilkerk stond.
In deze periode komen er weer initiatieven om de verering van Onze Lieve Vrouw ter Nood in ere te herstellen. In 1873 verschijnt het onderzoek naar de geschiedenis van de “Heilige plaatsen in het bisdom Haarlem met een hoofdstuk Onze Lieve Vrouw ter Nood of Runxputte onder Heilo” van de hand van J.A. de Rijk 11

Deze professor van het Seminarie Hageveld beschrijft de heilige plaatsen in het bisdom en komt zo ook bij Heiloo terecht.
Om de devotie te doen herleven in deze plaatsen worden missies gehouden. Zo werken de paters Redemptoristen eraan om de devotie in de vroeger aan Maria toegewijde plaatsen te herstellen. Zo werd ook in de Willibrorduskerk zo’n missie gehouden en werden de gelovigen opgewekt de Mariadevotie op Kapel weer in ere te herstellen.Pastoor Kimman had hierin een groot aandeel (Overhaus, pag. 43) en zijn opvolger pastoor Geenen zette het werk voort. Deze zag kans het stukje grond waarop de kapel, de put en de bidweg geweest waren aan te kopen.

Afb. 5: Afbeelding van een in 1886 gebruikt gedachtenisplaatje met gebed tot vernieuwing van de devotie voor O.L.Vrouw ter Nood, bij de missie in de St. Willibrorduskerk


Klaas Ruiter, broodbakker in Heiloo, had hem hierbij geholpen. Deze Klaas Ruiter kocht namelijk op 18 oktober 1901 van Fontein Verschuir het belangrijke perceel bosgrond, gelegen hoek Kapellaan en Runxputteweg (kadastraal sectie E205). Hij verkocht de grond weer door aan de pastoor. De belangrijkste stoot gaf echter G. van den Bosch (1857-1931). Deze Gerrit van den Bosch was margarinefabrikant in Alkmaar. Het verhaal gaat dat zijn vader grote belangstelling had voor de plaatselijke geschiedenis en daarover zijn zoon graag vertelde. Zo wist Gerrit van den Bosch van het bestaan van een plek in Heiloo waar een kapel had gestaan en het deel van Heiloo werd ook nog aangeduid met de naam Kapel. In 1904 nam hij de trein naar Heiloo om naar de plek op zoek te gaan en werd zodanig geïnspireerd dat hij degene werd die er voor zorgde dat het oord vrijwel werd zoals het tot op dit moment nog steeds is. De eerste doelstelling van Van den Bosch was een kapel 
te laten bouwen op de plaats van de oude kapel. Na overleg met de bisschop en de pastoor en kapelaan van de Willibrordusparochie in Heiloo besloot men afgravingen te doen om te zien of er iets van de oude kapel en put terug te vinden was. Terwijl de discussie nog gaande was of de plek van de oude put wel de juiste was werd de nieuwe put al
opgetrokken. Gerrit van de Bosch schrijft zelf in zijn aantekeningen: ‘Niet met het bepaalde doel om de Runxput te zoeken heb ik verzocht opgravingen te laten doen ter Kapelle, het doel was, te trachten iets te vinden, dat op de oude kapel betrekking had, opdat daardoor des te gereder de devotie tot O.L.V. ter Nood zou worden opgewekt” En aldus gebeurde. In juli 1905 kwam de eerste officiële bedevaart uit Amsterdam. Een pelgrim die zich hierbij aansloot was Kees Enke, toen een negentigjarige Heilooër, die ook nog de laatste bedevaart van 1830 had meegemaakt.

Klik hier voor toelichting.
In 1905 werd ook door de bisschop van Haarlem een Bisschoppelijk Comité (BC) opgericht met als doelstelling: “de kapel, welke eertijds bestond op de bedevaartsplek van O.L. Vrouw ter Nood of te Runxputte te Heiloo weder op te bouwen en de devotie tot O.L.Vrouw ter Nood te herstellen en te verspreiden” (Overhaus, pag. 45) Tot de leden van dit comité werden benoemd: “de zeereerw. Heer J.J. de Graaf, deken en pastoor te Ouderkerk a.d. Amstel; de zeereerw. Pater J.A.F. Kronenburg
C.s.s.R. te Roermond; de heer C.J. Gonnet, archivaris te Haarlem; de heer G.H.M. van den Bosch te Alkmaar en de heer Jan Stuyt, architect te Amsterdam”.

Afb. 6: De 95-jarige Heilooër Kees Enke, die getuigde ook nog de bedevaarten in de negentiende eeuw te hebben meegemaakt.

Afb. 7: Het Bisschoppelijk Comité in 1918 met van links naar rechts: pastoor De Jong, secretaris Van den Bosch, pater Kronenburg, deken Ooms, voorzitter Graaf, architect Stuyt en archivaris Gonnet.

Ottie Thiers beschrijft in “’t Putje van Heiloo” uitvoerig de wijze waarop de commissie met Graaf als voorzitter aan het werk gaat. Men kreeg daarbij, op zijn zachtst gezegd, niet altijd de medewerking van de pastoor van de Willibrorduskerk. Dat was inmiddels de pastoor J.C.J. Seuter en door deze ook lid van de Commissie te maken, kon men toch de doelstellingen realiseren. Daarvoor was veel geld nodig, Dat geld kwam binnen door giften ofwel bij de BC, bij de pastoor of in de of erbus op Kapel. Daarnaast werden allerlei acties ondernomen via de netwerken van de leden van de BC. Dat geld moest in de eerste plaats worden aangewend om de bouw van een kapel te realiseren. Vanwege de financiële tekorten werd eerst een voorlopige versie van de kapel gebouwd. Daarvoor werden de fundamenten zodanig gelegd dat, wanneer er financiële ruimte zou ontstaan, voor een definitieve kapel dezelfde fundamenten zouden kunnen worden gebruikt. In 1909 werd deze eerste voorlopige kapel in gebruik genomen en door pastoor Seuter ingewijd, hoewel hij in de BC als enige tegen het bouwplan stemde. Deze kapel bood plaats aan 150 pelgrims (Bertrand, pag. 87). De pelgrims stroomden toe. Groepen pelgrims, die in georganiseerd verband kwamen, werden geregistreerd in het Bedevaartsboek. 1910 is het eerste jaar waarin
systematisch werd geteld. Het aantal pelgrims in dat jaar was 8000. Door grondaankoop kon het terrein worden uitgebreid.
In 1914 bereikte Van den Bosch opnieuw een succes omdat hij voor elkaar kreeg dat er een treinhalte naast de bedevaartsplaats kwam. Er zat niets anders op dan dat er een grote kerk bijgebouwd moest worden voor een goede ontvangst van de pelgrims. Na een noodoplossing in de vorm van een grote tent en de vele financiële problemen die moesten worden opgelost, kwam ook die grotere kapel er in 1914. Ook die werd beschouwd als tijdelijk oplossing, hoewel na bijna 100 jaar deze kapel er nog steeds staat. Intussen gebeurt er ook een en ander aan de overzijde (noordzijde) van de Kapellaan. Het was Klaas Ruiter, die de pastoor Geenen van Heiloo behulpzaam was geweest, door in 1901 het kapelland aan te kopen en in 1902 door te verkopen aan de Willibrordusparochie. Dezelfde Klaas Ruiter kocht in 1896 drie percelen grond aan de noordzijde van de Kapellaan. Dat was vrijwel alle grond gelegen tussen de Hoogeweg en de Runxputteweg.
In 1900 koopt de heer Cornelis Kaandorp een groot deel van deze grond van Klaas Ruiter en in 1906 staat er het eerste nieuwe café, dat de naam krijgt ’t Kappelletje. Deze naam herinneren we ons nog van de namen van de cafés op het Hyloer ryskaartje. Niet lang daarna in 1908 liet Klaas Ruiter het karakteristieke pand café St. Willibrord bouwen, schuin tegenover de kapel. Talloze afbeeldingen van dit karakteristieke pand verschenen op ansichtkaarten.

Afb. 8: In 1930 werd deze kapel van 1909 vervangen door de huidige kleine kapel.

Afb. 9: Het eerste café aan de Kapellaan wordt opgeleverd. Van links naar rechts de heren: Ploeger (metselaar), Sengers (aannemer) en Kaandorp (eigenaar)

Afb. 10: Vrouwen met de hulletjes bij de gelegenheid van het 25-jarig jubileum in 1930, toen nog de klederdracht, op Kapel. Van links naar rechts: mw. Zeeman, mw. Kabel, mw. Pater, en mw. Molenaar. De foto werd gepubliceerd in juli 1930 in de Katholieke Illustratie.

In de Kapellaan werden nog twee horeca-etablissementen gesticht, namelijk café-restaurant Runxputte, en ’t Stalleke van Bethlehem. Aan de Runxputteweg kwam het café Pelgrimsrust en aan de overzijde van het spoor ’t Haringbuysje.
Er was nogal wat onderlinge strijd tussen al de kasteleins, die allen probeerden de pelgrims naar hun etablissementen te lokken om koi e te drinken en eventueel souveniertjes te kopen.Klaas Ruiter zat goed met zijn café recht tegenover de poort van het terrein. Bovendien werd hij in 1910 de eerste koster, die dus ook nog de mogelijkheid had alleen die poort open te houden.
Klik hier voor het interview met Cor Borst de eerste koster.
Dit leidde tot allerlei ontevreden kasteleins met wie de bisschoppelijke commissie heel wat te stellen had.
Naast de koster werd Piet Zeeman aangesteld als parkwachter, die zijn gezag vooral moest ontlenen aan een mooie veelkleurige pet.De aantallen bedevaartgangers in georganiseerd verband liepen vanaf 1910 geleidelijk aan op. Met een dip in de oorlogsjaren ’40-’45 groeide het aantal in de richting van de topjaren halverwege de jaren vijftig om daarna af
te nemen tot een stabiel niveau.Als opvolger van Klaas Ruiter werd in 1935 Cor Borst als koster aangesteld die tot 1975 die functie vervulde. Tot zijn taken behoorde behalve het kosterwerk ook het onderhoud van het park.

Afb. 11: De aantallen deelnemers aan de groepsbedevaarten werden geregistreerd in het pelgrimsboek. In de grafiek zijn de topjaren duidelijk herkenbaar.

Als opvolger van Klaas Ruiter werd in 1935 Cor Borst als koster aangesteld die tot 1975 die functie vervulde. Tot zijn taken behoorde behalve het kosterwerk ook het onderhoud van het park. De BC verrichtte allerlei werkzaamheden en transacties,
maar miste eigen rechtspersoonlijkheid. Daarom nam, bijvoorbeeld bij aankopen van grond, de Willibrordusparochie in Heiloo steeds de noodzakelijke juridische verantwoordelijkheid. Op 27 maart 1930 werd een stichting opgericht met de naam: “Onze Lieve Vrouw ter Nood Stichting” met o.a. als doelstelling het aankopen en beheren van kerkelijke goederen. De eerder door de BC verworven grond werd aan deze stichting overgedragen.In begin van de jaren ’30 van de twintigste eeuw werd een deel van het grondgebied afgesplitst en verkocht aan de Congregatie van de Zuster van de H. Juliana van Falconieri (de Juliaantjes) met de bedoeling daar een klooster te bouwen. In 2005 verlieten de Juliaantjes het klooster en werd dit klooster eigendom van het R.K. Bisdom van Haarlem.De samenstelling van de BC maakte dat geschiedenis en kunst door de commissie belangrijk gevonden werden bij de inrichting van kerken en terrein. In beginjaren 1930 werd contact gezocht met de Haarlemse kunstenaar Han Bijvoet. In een veeljarige opdracht (1934-1955) schilderde hij alle wanden van de Kleine Kapel, behalve de achterwand. Voor die wand was wel een ontwerp van Bijvoet maar hij heeft dat zelf niet meer kunnen uitvoeren. In 1947 was de Sociëteit van de Paters Montfortanen bereid de liturgisch-pastorale zorg van Kapel op zich te nemen. Er ontstaat een rectoraat Onze Lieve Vrouw ter Nood. De eerste rector was pater Toebosch. De Paters Montfortanen kregen van het bisdom echter niet alle bevoegdheden die normaal bij de functies binnen een parochie horen. De bewoners van Kapel bleven voor-lopig voor doop, trouw en begraven aangewezen op de parochiepastoors en dat gold ook voor de eerste en plechtige communie. Langzaam verkreeg het rectoraat ook de mogelijkheden om er de plechtigheden bij doop, trouwen en begrafenissen te houden. Het rectoraat groeide toe naar de topjaren rond 1950.
Daarna sloeg de bedevaartsplaats zich, evenals de gehele Katholieke Kerk in Nederland, door de moeilijke jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw heen. Het tijdperk van de Montfortanen eindigde in 1986. Kapel draaide verder op vrijwilligers met als stimulerende kracht zuster Humilia, die als gastvrouw de rectorswoning betrok.
Jubileumjaar honderd jaar heropleving. In 2005 werd honderd jaar heropleving van de devotie gevierd. Dit ging gepaard met diverse feestelijke evenementen. Ook werd in dat kader een historische studie uitgevoerd door mw. Ottie Thiers, hetgeen leidde tot de uitgave van ‘’t Putje van Heiloo’. In dat jaar werd ook de schildering van de achterwand van de Kleine Kapel uitgevoerd door de Amsterdamse kunstenares mw. Mieke Schobbe. Tevens werden een tentoonstelling georganiseerd en een onderzoek uitgevoerd naar de toekomstmogelijkheden voor het bedevaartsoord. De meest recente ontwikkelingen betref en het samenvoegen onder één bestuur van het rectoraat en de Stichting Onze Lieve Vrouw ter Nood onder de nieuwe naam “Diocesaan Heiligdom Onze Lieve Vrouw ter Nood”. De Bisschoppelijke Commissie heeft honderd jaar geleden nog gedacht aan het bouwen van een indrukwekkende basiliek op het terrein. Dat is nooit doorgegaan. Toch zou de BC met tevredenheid neerkijken op de situatie van nu. Nu het ook nog mogelijk is geworden het gebruik van het voormalig Julianaklooster bij het bedevaartsoord te betrekken, zal dit moeten leiden tot nieuwe bloeiperioden, passend in de tijd waarin we leven. Op een plaats die gedurende zoveel eeuwen zoveel heeft getrotseerd zal dit ongetwijfeld mogelijk zijn.

Klik hier voor de stichtingslegende.

Met dank aan Ottie Thiers voor het lezen van het artikel en haar commentaar.

Afbeeldingen in dit artikel zijn afkomstig van:
Afb. 1 Museum Catharijneconvent, Utrecht / foto: Ruben de Heer; Kopie in Oesdom, O.L.V. ter N. Heiloo
Afb. 2 Oudheidkamer Historische Vereniging Oud Heiloo, Heiloo
Afb. 3 Regionaal Archief Alkmaar, Alkmaar
Afb. 4 Museum Catharijneconvent, Utrecht / foto: Ruben de Heer
Afb. 5. Oudheidkamer Historische Vereniging Oud 
Heiloo, Heiloo
Afb. 6 Archief Stichting Onze Lieve Vrouw ter Nood, Heiloo
Afb. 7 Archief Stichting Onze Lieve vrouw ter Nood, Heiloo

Afb. 8 Archief Stichting Onze Lieve vrouw ter Nood, Heiloo
Afb. 9 Oudheidkamer Historische Vereniging Oud Heiloo, Heiloo
Afb. 10 Katholieke Illustratie juli 1930 Afb. 11 Ottie Thiers, Vught

Literatuur en bronnen

  1. Thiers, Ottie, ’t Putje van Heiloo, Bedevaarten naar onze Lieve Vrouw ter Nood, (Hilversum, Verloren, 2005)
  2. Bertrand, Joan, De Runxputte en Onze Lieve Vrouw ter Nood, een bekend bedevaartsoord te Heiloo, (Schoorl, Pirola, 1980)
  3. Nolet, W., Onze Lieve Vrouw ter Nood, Voorheen en thans, (Alkmaar,Van Putten & Oortmeijer, 1933)
  4. Margry, P.J., Heiloo’s heilige plaatsen, in Streefkerk e.a ed., Heiloo voor en na Willibrord. Opstellen over de geschiedenis van Heiloo, (Heiloo, 1995)
  5. Staal, Caspar, en Marc Wingens, Bedevaarten in Nederland, (Walburg Pers, 1997, Publicatie bij de tentoonstelling Catharijnenconvent, Utrecht)
  6. R.A.A. Oud Archief Heiloo, inv. nr. 70 Er staat “….stellende tot eenen specialen ypoyheek ende onderpande een stucke saetlant met wat weijtlant daer an groot anderhalf morgen gelegen in den banne van Oesdom bewesten onzen vrouwen capelle te Roomputte………….opten lesten december anno 1575. Merkwaardig dus Roomputte i.p.v. Runxputte.
    Misschien een verschrijving, maar moet nog verder worden onderzocht.
  7. Schoorl, H., De kruip-en kruisbergen onder Heiloo in 1768, in: Alkmaars jaarboekje jg. 9 (1973)
  8. Allard, J.H., De ommegangen en bedevaarten naar Heiloo en Oesdom, (Maastricht, 1888)
  9. Rijk, J.A. de, Heilige plaatsen in het bisdom Haarlem. II Onze Lieve Vrouw ter Nood of Runxputte onder Heilo, in: Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom Haarlem, (1873)
  10. Oeverhaus, A., Onze Lieve Vrouw ter Nood, voorheen en thans, opnieuw verteld naar vroegere beschrijvingen van pater Kronenburg CssR en professor W. Nolet (Heemstede, De Toorts, 1947)
  11. Rijk, J.A. de, Heilige plaatsen in het bisdom Haarlem. II Onze Lieve Vrouw ter Nood of Runxputte onder Heilo, in: Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom Haarlem, (1873)
  12. R.A.A. Archief Onze Lieve Vrouw ter Nood

Overige literatuur
Graaf J.J., Onze Lieve vrouw ter Nood onder Heiloo, in: Katholiek Illustratie, 41ste jaargang, 1906, nr. 6 Kronenburg, J.A.F., Maria’s heerlijkheid in Nederland

Auteur: Piet Kuijper