Willibrord

Willibrord

DE BETEKENIS VAN WILLIBRORD VOOR HEILOO

Mag Heiloo Willibrord claimen?
We komen de naam Willibrord nogal eens tegen in Heiloo. Er staat een Willibrorduskerk met daarbij de begraafplaats de Willibrordushof. Heiloo is bekend vanwege de St.Willibrordusstichting. Er is een Willibrordusput. Kinderen gaan naar de Willibrordschool. Beeltenissen van Sint Willibrord bevinden zich buitenaan en binnenin de kerk aan de Westerweg en op het terrein van Onze Lieve Vrouw ter Nood. Aan de achterkant van ’t Loo ligt de Willibrordusweg (1). Men kan een 7 km lange wandelroute lopen ‘In de sporen van Willibrord’ (2). Het belangrijkste standaardwerk dat de geschiedenis van Heiloo behandelt, ‘Heiloo voor en na Willibrord ‘(1995), stelt, zoals de titel suggereert, de historische figuur Willibrord centraal.

Afbeelding van St.Willibrord aan de oostzijde van de Willibrorduskerk

Vluchtig onderzoek leert echter dat Heiloo wat betreft het gebruik van de naam van Willibrord bepaald geen uitzondering vormt. Er zijn tientallen Willibrordusscholen in ons land. Ruim twintig Willibrordusputjes geven water. Een dertigtal kerken in ons land draagt de naam van Willibrord. De stad Utrecht rekent de invloed van Willibrord tot een zeer belangrijk element van zijn historie. De ligging van Sint Willibrord, een kerkdorp, vermaard vanwege zijn wielrenners, in de gemeente Rucphen in de provincie Noord-Brabant, geeft een indicatie dat de naam van de heilige het meest voorkomt in het zuiden van ons land.

Is het wel zeker dat de monnik Willibrord, die werd opgeleid in Northumbria (Noord-Engeland) en Ierland, en de oversteek maakte naar het vasteland, rond de eeuwwisseling van de 7e en 8e eeuw stappen heeft gezet in een gebied dat door de Romeinen eerder was beschreven als “het land van de wouden, moerassen en kwelders met een inheemse bevolking die te woest en te barbaars was om enige beschaving bij te brengen”? (3)
A.H. van Berkum komt in zijn opstel ‘Willibrord en Heiloo’ tot de volgende slotsom: “Alle archeologische en litteraire getuigenissen betreffende Willibrords contacten met Heiloo nog eens overziende, mogen we zonder aarzeling stellen dat de oorsprong van de Heilooër kerk (het Witte Kerkje, wb) op hem teruggaat, d.w.z. op hem persoonlijk als aartsbisschop van de Friezen, en op zijn helpers, met name Bonifatius, die hem in de jaren 719-722 zo van dienst geweest is”. (…) “Door deze onbaatzuchtige arbeid hebben de Northumbrische monniken ook de bevolking van het vroegmiddeleeuwse Heiloo voor altijd aan zich verplicht”(4).
Op beide conclusies valt wel wat af te dingen.

Eerst een stukje Europese geschiedenis
Er zijn waarschijnlijk maar weinig schriftelijke bronnen die een betrouwbaar beeld schetsen van de vroege middeleeuwen van het gebied dat we nu Noord-Holland noemen. De inheemse bevolking van onze regio was nog niet geletterd. We moeten ons dus, wat de geschreven teksten betreft, verlaten op wat de Romeinen hebben geschreven over onze voorouders. Dat was ook om ‘politieke’ redenen gekleurd. De bevolking die men aantrof beschreef men als woeste, ongeciviliseerde barbaren. Daarom gaven de legeraanvoerders aan dat er veel soldaten nodig waren om ze te bestrijden.
De Romeinen hebben vooral in de eerste eeuwen na Christus grote delen van West-Europa (en meer) bezet. De Romeinse cultuur heeft een grote invloed verworven in de bezette gebieden. Deze gebieden strekken zich onder meer uit tot de ‘limes’ (grenslijn) de Oude Rijn, in onze streken, en Hadrian’s Wall (tussen Engeland en Schotland).

Een overgebleven deel van Hadrians Wall in Noord-Engeland

De Romeinse cultuur heeft, na de keuze voor het christendom door keizer Constantijn rond 312, grote betekenis gehad als ‘draaggolf’ voor het christendom.
In onze regio leefden in die tijd de ‘Friezen’, ‘Frisii’ genoemd in de Romeinse geschriften. Het volk, levend van landbouw, veeteelt en jacht, woonde in een duingebied langs het Oer-IJ. Archeologische vondsten, zoals onlangs in Castricum, leveren een belangrijke aanvulling op voor de kennismaking met dit volk. Hoewel de Romeinen zich, niet geheel onterecht, superieur achtten, onder andere op militair gebied, gingen zij te ver in het overvleugelen van de Friezen. In een beslissende slag in 28 na Christus werden de Romeinen bij Velsen en Baduhenna verslagen en zij zijn er nooit meer in geslaagd de Friezen te onderwerpen.

Strijd tussen de Romeinen en de Friezen

Van het midden van de derde eeuw tot het einde van de vierde eeuw ontstond, neemt men aan, een ‘bevolkingshiaat’. Waarschijnlijk door klimatologische oorzaken (onder andere kwam er een hogere waterstand) nam de bevolking van onze streken zeer sterk af. Toch was er blijkbaar nog wel enige bewoning in die tijd. Immers de in Castricum opgegraven Hilde moet in die periode (ca. 300) hebben geleefd (5).
Tussen de vierde en zesde eeuw na Christus vond de ‘Grote Volksverhuizing’ plaats. Germaanse stammen uit Oost-Europa verplaatsten zich naar het westen. Franken in de richting van Zuid-West-Europa, Angelsaksen naar Engeland en stammen nieuwe Friezen, verwant aan de Angelsaksen, vestigden zich in de Noordelijke Nederlanden. Voortdurend waren er conflicten met de Romeinen, maar ook vond een vermenging van culturen plaats. Grofweg gesteld: het gebied van de Friezen in onze streken, zo ongeveer van Zeeuws-Vlaanderen tot Oost-Groningen, behield een aparte status. De Frankische cultuur versmolt met de Romeinse cultuur en na de val van Rome in de vijfde eeuw waren de Frankische heersers heer en meester in Zuid-West-Europa. Hun koning Clovis bekeerde zich met zijn gevolg tot het christendom (ca. 500) en dat werd de heersende godsdienst van de Franken. In zekere zin vond ook een versmelting van de Romeinse en Angelsaksische cultuur in Engeland plaats. Hetgeen leidde tot een culturele bloei in Engeland die een hoog aanzien had, ook op het vasteland. Binnen een halve eeuw was Engeland gekerstend.
Dit is een grove schets van het decor waarin Willibrord is opgegroeid, is gevormd en heeft gewerkt.

Van jonge monnik tot missionaris
Willibrord, geboren in 658 in Northumbrië, Noord-Engeland, stamde uit een adellijk Angelsaksisch geslacht. Wat over hem is geschreven, en dat is zeer veel, is gebaseerd op enkele eigenhandige kanttekeningen op een kalender, de levensbeschrijving ‘Vita Willibrordi’ (ca. 790) van de hand van een hofgeleerde van Karel de Grote, Alcuinus van York, en het omvangrijke werk ‘Historia Ecclesiastica Gentis Anglorum’ (Kerkgeschiedenis van het volk der Angelen) van Beda Venerabilis (Beda de Eerbiedwaardige) van ca. 730. (6)

Kalender waarop Willibrord in 728 aan de linkerkant eigenhandig enkele aantekeningen heeft gemaakt. Van de eerste drie regels is te lezen: “In nomine (…) clemens willibrordus Anno (…)” Vertaald: “In de naam (des Heren) Clemens Willibrordus in het jaar (…)”.

Opvallend is dat het vele dat over het leven en werk van Willibrord is geschreven vrijwel identiek is. Ook de geschriften van onze tijd ademen nog de geest van de ‘Vita Willibrordi’. Van het werk van Alcuinus moet worden gezegd dat het niet in de eerste plaats was bedoeld om een feitelijke biografie te schrijven, maar meer het oogmerk had om de heiligheid van Willibrord te onderstrepen en de wonderen die hij verricht had te beschrijven. Zo beschreven kon zijn respectabele levensloop voor anderen als voorbeeld dienen om het christendom te verbreiden (7).

De ouders van Willibrord stonden hun zoon op zesjarige leeftijd met zijn erfdeel af aan een klooster bij York (Ripon). Het fenomeen ‘pueri oblati’, jongens die door de welgestelde ouders vrijwillig werden afgestaan aan een klooster, was niet onbekend in hun omgeving (8) . Dit heeft zich als traditie voortgezet in de Engelse kostscholen. De compensatie van het op jonge leeftijd afstaan van kinderen aan een klooster was blijkbaar het uitstekende onderwijs dat aan de jongelieden werd geboden (9). De vorming in het klooster in Ripon was gebaseerd op de Romeins-Angelsaksische stijl. Deze Romeinse richting ging uit van een strakke organisatie (o.a. in bisdommen), waarbij de paus te Rome een belangrijke rol vervulde (‘Romeinse observantie’). Op twintigjarige leeftijd vertrok Willibrord naar een klooster in Ierland. Hij voelde zich aangetrokken tot het meer Iers-Keltische christelijke kloosterleven. Als verklaring daarvoor wordt wel gegeven dat Willibrord werd aangetrokken door de lossere organisatie en meer rijke spiritualiteit van het ascetische Ierse kloosterleven. Een belangrijk element in de vorming opgedaan in beide kloosters was de zendelingsroeping, het verbreiden van het christelijk geloof in overzeese, heidense gebieden, de zogenaamde ‘peregrinatio’(10). Dit leidde in 690 tot het aanvaarden van de opdracht om met elf gezellen vanuit Ierland om Engeland heen de overtocht te maken naar het vasteland, naar het land der Franken zoals hij zelf aangeeft in zijn aantekeningen bij de kalender.
Op dit punt aanbeland lopen de lezingen over het verdere verloop van de belevenissen van Willibrord nogal uiteen.

Willibrord verlaat Ierland met zijn gezellen. Uit: De heilige Willibrord, Lingolsheim, 1989

Waar kwam Willibrord aan land?
Volgens zijn biograaf Alcuinus landde hij aan de monding van de Rijn (Rhenus) en voer hij vandaar naar het castellum van Utrecht, door de Romeinen ‘Trajectum’ genoemd. Er moet echter aan worden getwijfeld of dat juist is (11). Rond 690 was Utrecht waarschijnlijk in Friese handen en Willibrord zal het zeker niet hebben gewaagd direct de confrontatie met de Friese stammen aan te gaan. Enkele werken die het leven van Willibrord beschrijven wijzen Katwijk als landingsplaats aan, andere Grevelingen (Zeeland) en Antwerpen (12).
Opmerkelijk en tegenstrijdig aan wat anderen schrijven zijn de opvattingen die Albert Delahaye (1915-1987) publiceerde over Willibrord en het tijdperk waarin Willibrord leefde. Delahaye was archivaris in Nijmegen en kwam in conflict met zijn broodheren toen hij beweerde en schreef dat Nijmegen zich ten onrechte afficheert als ‘Keizer Karelstad’. Karel de Grote heeft nimmer Nijmegen als residentie gehad, beweerde Delahaye. Dit bracht een shock teweeg in Nijmegen (vergelijkbaar met het in twijfel trekken van de historische achtergrond van de kaasmarkt in Alkmaar). Delahaye kon zijn boeltje pakken, maar dat verhinderde niet dat hij met nog meer geruchtmakende publicaties de aandacht op zich vestigde. Dit betrof ook de figuur van en met name het werkgebied van Willibrord.
Delahaye beweerde dat Willibrord met zijn gezellen aan land kwam in Gravelines (tussen Duinkerken en Calais), aan de monding van de Rhenus (dat is de Schelde) (13). De landingsplaats Katwijk verwijst hij naar het land der (later ontstane) fabelen. De plek waar Utrecht nu ligt was onbereikbaar, want het lag onder water. Het doel van zijn eerste reis was de plaats ‘Trajectum’ die thans Tournehem heet (gelegen tussen Calais en Lille). Willibrord heeft vervolgens nagenoeg al zijn missieactiviteiten uitgevoerd in het noorden van Frankrijk en het zuiden van België (‘Francia’). Heiloo als reisbestemming is in de opvattingen van Delahaye geen optie. De landstreek waarin Heiloo mogelijk zou hebben gelegen was onbegaanbaar. Bovendien was het gebied dat wordt aangeduid als het werkterrein van Willibrord, van Noord-Frankrijk tot Luxemburg van West-Nederland tot Denemarken veel te uitgebreid om door Willibrord bereisd te worden in de tijdspanne die hem was gegeven.
Delahaye stelt: “De verering van Willibrord als bisschop der Friezen is pas in de 14e eeuw op gang gekomen onder invloed van de abdijen van Egmond en Echternach (Luxemburg, wb), die op grond van verkeerde (al of niet bewuste) interpretaties van oude teksten zich op een gemakkelijke manier land, en dus opbrengsten daarvan, konden toeëigenen. (14)
Opmerkelijk is ook dat hij aangeeft dat Bonifatius niet in Dokkum is vermoord. Dokkum bestond in die tijd (754) nog niet. De plaats die wel in aanmerking komt is ‘Dockynchirica’, het tegenwoordige Duinkerken.
De verwarring met betrekking tot de namen van plaatsten en rivieren laat zich, volgens hem, verklaren door ‘déplacements historiques’, het verschijnsel dat volkeren bij een verhuizing van hun stamland naar elders hun oorspronkelijke plaats- en riviernamen meenemen.

Wat moeten wij van dit alles denken? Moet Heiloo zich Willibrord zo gemakkelijk laten ontnemen?
Gezegd moet worden dat de denkbeelden van Delahaye weinig ingang hebben gevonden bij gezaghebbende historici die zich hebben beziggehouden met de figuur Willibrord. Op grond van hun geschriften blijft Willibrord wel degelijk behouden voor Heiloo. Maar er zijn wel enkele kanttekeningen te maken.
Het is bijvoorbeeld opmerkelijk dat in het oudste Hollandse geschiedwerk, de Egmondse Annalen (Annales Egmundenses, 1120 – 1205) geen aanduiding is te vinden dat Willibrord in de omgeving werkzaam is geweest. In onze contreien was pas vele eeuwen na zijn dood sprake van een Willibrordverering. En deze zou niet inheems zijn, maar geïmporteerd. Er waren bij ons geen vroegmiddeleeuwse kerken die St. Willibrord als patroon hadden. Dit in tegenstelling tot Belgisch- en Frans-Vlaanderen (15).
De voormalige stadsarchivaris van Alkmaar, W.A. Fasel, twijfelt ook aan de aanwezigheid van Willibrord in Heiloo en heeft moeite zich neer te leggen bij de ‘officiële geschiedopvatting’ (16). Eerst in de kroniek van de ‘Clerc uten laghe landen bi der see’ (ca. 1410) is er sprake van Willibrord die in Heiloo een bron opende, meent hij. De geur van heiligheid die Willibrord aan Heiloo-Heyligloo zou hebben verschaft staat, volgens hem, ook op losse schroeven als we de naam losmaken van ‘Heilig bos’ of ‘Heilige hoogte in het bos’. De naam kan net zo goed zijn afgeleid van ‘hellend bos’ (haluga lauha). Tevens is de verwarring mogelijk met de plaats Helfaut (oorspronkelijk Hlegilo) in Noord-Frankrijk. Fasel wijst verder nog op de ‘dunne’ bewijsvoering voor de ouderdom van de voorgangers van de put en de kerk in Heiloo die teruggaat naar de tijd van Willibrord. Daarover verderop meer.
Belangrijk element in de argumentatie Delahaye/Fasel is hun bewering dat er geen archeologische gegevens zijn die aantonen dat er in de tijd van Willibrord in onze regio, Heiloo in het bijzonder, bewoning was. Dat is echter niet juist. Vooral recente opgravingen tonen aan dat binnen de gemeentegrens van Heiloo wel degelijk sporen van bewoning te vinden zijn die teruggaan naar de tijd van Willibrord. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat de nog resterende sporen schaars zijn en vooral te vinden zijn in het noordelijke en zuidelijke gedeelte van Heiloo en niet zozeer bij de (Witte) kerk en de naastgelegen put (17).

Vroegmiddeleeuwse vondsten in Heiloo: 1. keramiek in het Heilooër Bos, 2. munten en keramiek in het Heilooër Bos, 3. keramiek in het zuidoosten, 4 keramiek in het zuidwesten en 5. keramiek en nederzettingssporen in het zuiden van Heiloo.

Naarmate de tijd voortschrijdt zullen mogelijk meer gegevens naar boven worden gehaald die klaarheid brengen over waar Willibrord geweest is en gewerkt heeft. Wij volgen gemakshalve de meest gangbare opvattingen met het besef dat deze onder invloed van de kerk, tot het midden van de 16e eeuw en ook nog later, waarschijnlijk een r.-k.-signatuur hebben gekregen.

Willibrords eerste en verdere stappen op het vasteland
Na zijn ontscheping in 690 in Francia, het rijk der Franken, wendde Willibrord zich, volgens de instructies die hij in Ierland had gekregen, tot Pippijn II, de feitelijke gezagsdrager in het Frankisch gebied (18). Onderdeel van de missiestrategie was dat men eerst contact zocht met de leider, de koning, het stamhoofd of, in het geval van Willibrords missie, de hofmeier, voordat men, gesteund door bescherming van de gezagdrager, met het ‘veldwerk’ begon. Vele geschriften geven aan, in navolging van de ‘Vita Willibrordi’, dat Willibrord door Pippijn goed werd ontvangen. Missiewerk was ook zijn belang.‘Frisia citerior’, het deel van het gebied der Friezen dat grensde aan het Frankisch gebied, werd Willibrord als missiegebied toegewezen. Het verhaal vermeldt verder dat Pippijn toen aan de missionaris een oud Romeins fort gaf, nu de stad Utrecht, als steunpunt voor zijn zending onder de Friezen. Dit laatste kon niet waar zijn, want rond 690 moet Utrecht nog in Friese handen geweest zijn door toedoen van de machtige Friese koning Radboud of in het Fries: Redbad († 719) (19). Willibrord vond de toestemming van Pippijn blijkbaar niet voldoende en reisde door naar Rome om van Paus Sergius (687-712) de zegen te krijgen (20). Vervolgens waren Willibrord en zijn gezellen mogelijk voornamelijk actief in Vlaanderen en Brabant, waar nog genoeg te doen was (21).
Pas na 695 toen Pippijn Radboud had verslagen en een groot deel van het Friese rijk had veroverd, was het mogelijk missiewerk onder de Friezen aan te vatten. Pippijn zond Willibrord nogmaals naar Rome om hem tot bisschop te laten wijden. Dit werd verricht door de paus in 695 in de Sint Pieter te Rome. Willibrord kreeg de bisschoppelijke naam ‘Clemens’ (de ‘zachtmoedige’) en werd benoemd als aartsbisschop onder de Friezen. Mogelijk dat Pippijn Willibrord toen Utrecht heeft aangeboden als uitvalsbasis voor zijn missiewerk onder de Friezen (22). De stad Utrecht koestert als historische mijlpaal dat Willibrord toen twee kerken heeft laten bouwen (23).
Na korte tijd vestigde Willibrord zich in Echternach (Luxemburg) waar hem veel land en gebouwen aangeboden waren. Hij stichtte daar een -belangrijk- klooster. Zijn vertrek naar Echternach getuigde van een vooruitziende blik of was mogelijk gedwongen, omdat Radboud, nadat Pippijn in 714 was gestorven, Utrecht (weer) veroverde en de kerken van Willibrord verwoestte.

Standbeeld van Willibrord in Utrecht

Willibrords taal en zeden
De vraag waar Willibrord heeft gewerkt, wat hij als tastbare bewijzen achterliet en welke wonderen hij verrichtte laat zich niet gemakkelijk beantwoorden. Het meest beroept men zich op wat Beda in zijn ‘Kerkgeschiedenis der Angelen’ (zie 3. hierboven) heeft geschreven. Dat heet dat Willibrord her en der het geloof predikte, velen bekeerde en menige kerk en klooster liet bouwen. Mogelijk ook een kerk(je) in Heiloo (zie verder).

Hoe keken de Friezen in ons gebied aan tegen de komst van Willibrord en zijn gezelschap?
Willibrord had waarschijnlijk het voordeel dat hij zich (zonder tolk) verstaanbaar kon maken bij de Friese stammen, die overigens wel per regio verschillende dialecten spraken. Dat vraagt enige toelichting.
De talen in Europa hebben een gemeenschappelijke oorsprong: het Indo-Europees (zie afbeelding 8.). De Germaanse dialecten, die het Keltisch hebben verdrongen, hebben zich hieruit losgemaakt. Ten opzichte van de oorspronkelijk gemeenschappelijke taal ontstonden verschillen in klank (‘klankverschuiving’), verschillen in woordaccent en zinsbouw. Wel konden verwante taalgroepen worden onderscheiden. Onder andere de West-Europese taalgroep, waarvan het Engels, Duits en Nederlands deel uitmaken. Binnen deze West-Europese taalgroep kunnen de Ingweoonse talen worden onderscheiden. Hiertoe behoren het Fries en het Engels, die dus nauw verwant zijn. Daarnaast bestaat de Continentaal-Germaanse taalgroep, waarbinnen het Nederlands zich heeft ontwikkeld uit het West-Nederfrankisch (24).

Schematische weergave van het ontstaan en de verwantschap van de Germaanse talen

Enkele voorbeelden die aangeven dat het Angelsaksisch (en het Engels) een zekere verwantschap hebben met het Fries zijn: Fries: ‘tsjerke’, Engels: church; Fries: tsiis, Engels: cheese; Fries: wei, Engels: way (= weg) en Fries: widdo, Engels: widow.

Als de communicatie tussen Willibrord en de door hem benaderde stamhoofden niet al te problematisch was, betekende dat dan dat hij met open armen werd ontvangen?
Onze Friese voorouders waren op z’n minst op hun hoede. Hoewel er veel handel werd gedreven en er op allerlei andere manieren uitwisselingen waren met de ‘zuiderburen’ was er ook sprake van een voortdurende strijd geïnitieerd door de Frankische machthebbers.
Misschien geeft de volgende beschrijving de gedachten van de Friezen bij het ontmoeten van Willibrord cum suis wel goed weer (25):
“Stel je voor. Een groep vreemdelingen in jurken en met rare kapsels komt je land binnen met een buitenissig geloof. Ze zijn bepaald onbeleefd. Ze gaan niet stilletjes in een hoek zitten bidden, ze gaan luidkeels hun eigen geloof belijden. En wat nog erger is: ze gaan tekeer tegen jóúw geloof, dat ze als heidense onzin afdoen. Hun voorganger slaat jouw godshuizen tegen de vlakte en bespot alles wat heilig is.”
Willibrord en de zijnen gingen niet bepaald zachtzinnig en tolerant tewerk. Volgens de zendinginstructies die eerder door paus Gregorius († 604) waren opgesteld moest de aandacht in de eerste plaats gericht zijn op het vernietigen van de heidense rituele plaatsen en objecten (26). Zo kon worden getoond dat er een machtiger God was dan de goden die door de Friezen werden aanbeden. Aangenomen mag worden dat dit met het nodige handgemeen gepaard ging. De missionaris Bonifatius heeft er in 754 de nadelige gevolgen van ondervonden.

Hoe dan ook, de beschrijvingen van Willibrords missiewerk in Fries gebied geven aan dat hij zijn kersteningsarbeid met een zeker succes heeft uitgevoerd. Willibrord wist zich op slimme wijze te verbinden met de lokale edelen en voorname families. Waren die eenmaal om, dan volgde de bevolking snel.
Zodoende kon hij zich op zeventigjarige leeftijd met een gerust hart terugtrekken in het klooster te Echternach, waar hij in 739 als geëerd man stierf.

Was Willibrord werkelijk in Heiloo?
Ten slotte weer terug naar Heiloo.
Nicolaas Beets dichtte in 1878 over het ontstaan van het Willibrordusputje (27):

“(…)
Toen Willibrord de Kruisleer bracht
Van d’ overkant der zee,
Was ’t hier één zand in ’t heidensch land,
Eén droge, dorre stee.
(…)
Daar staat hij, leunende op zijn staf,
En ziet vergeefs in ’t rond ….
Daar knielt hij neer, en bidt zijn Heer,
Daar opent zich de grond.

Daar vloeit een zilverklare bron,
Die allen nood verdrijft, (…)

Willibrordusput in 1835

Voor de 19e-eeuwse romantici, tot welke groep schrijvers Beets, Hasebroek en Hofdijk behoren, waren heldhaftige en wonderbaarlijke figuren en gebeurtenissen belangrijker dan de historische feiten, althans binnen hun literaire werk. Hun getuigenis over Willibrords aanwezigheid in Heiloo legt dan ook onvoldoende gewicht in de schaal.
Samenvattend gesteld: er zijn geen onweerlegbare bewijzen dat Willibrord zijn kersteningswerk in Heiloo heeft uitgevoerd. Willen we de waarschijnlijkheid van zijn verblijf aantonen, dan moet dat op basis van ‘circumstantial evidence’ worden vastgesteld.
Als Willibrord, via Velsen, ooit Heiloo heeft bezocht, dan kan dat niet vóór ca. 720 zijn geweest. Het ‘Frisia Ulterior’, het noordelijke gedeelte van het rijk der Friezen, was daarvoor te gevaarlijk om te bereizen voor een door de Frankische machthebbers gezonden prediker. Pas na de dood van Radboud in 719 was dat mogelijk.
Omdat Willibrord zich in 727/728 terugtrok in zijn klooster te Echternach, kan hij tussen 719 en 728 in Heiloo geweest zijn. Niet eerder dan ca. 720 zou dan zijn put zijn ontstaan en zou hij een eenvoudig houten bedehuis, een kerkje, hebben laten bouwen.
Het wonder van het ontstaan van de bron door velen beschreven, ook door Beets, lijkt moeilijk te rijmen met de werkelijkheid. In Heiloo was voor de komst van Willibrord vrijwel zeker een bron aanwezig, wellicht waren er meer bronnen, waarvan de daar wonende bevolking gebruik maakte. Misschien wel een voor de Germaanse bewoners heilige bron, reden waarom Willibrord zich daarop richtte. Niet eerder dan in 1350 was het Johannes Beke (Beka) die de naam van Willibrord aan de waterput in ‘Heyligelo’ koppelde (28). Frappant is dat de levensbeschrijving van St. Adelbert, die rond 720 missiearbied verrichtte in Egmond, geen gewag maakt van Willibrords aanwezigheid in Heiloo (29). Halbertsma heeft met zijn opgravingen aangetoond dat onder de put die uit de 16e eeuw stamt een oudere put heeft gezeten, bestaande uit gestapelde zoden, die teruggaat tot de Karolingische tijd (ca. 750 – 900) (30).

Vergelijkbaar is wat over de stichting van een kerkje door Willibrord kan worden geschreven. Uit 1063 stamt de oudste vermelding van het kerkje te Heiloo, in een opsomming van het kerkenbezit van Willibrords klooster te Echternach. De betrouwbaarheid van dit document werd en wordt betwist. Het heeft echter wel geleid tot het toeschrijven van Willibrords naam aan het kerkje (31).
Waar -eigentijdse- geschriften niet voldoende uitsluitsel geven over de loop der geschiedenis, kan de archeologie, het graven in de grond, de historische gaten soms opvullen. Een ‘onderzoek met de spade’ van Halbertsma c.s. in en bij de Witte Kerk in 1965 leverde allereerst op dat de oorsprong van de -naderhand vele malen aangebouwde en herbouwde- kerk teruggaat tot de 11e eeuw. Men spreekt van een oorspronkelijk tufstenen kerk uit die periode (32). Echter dieper gravend trof men paalgaten aan die, gezien de ouderdom van de palen, een aanwijzing geven dat er mogelijk een houten voorganger van de kerk in de 8e of 9e eeuw aanwezig was (33). Zou Willibrord dan toch … ?

Ter afsluiting enige opmerkingen over de verering van Willibrord in Heiloo. Er zijn maar weinig aanwijzingen voor een Willibrordusverering in Heiloo vóór 1700. Een ‘devotiepenning’ met aan de ene zijde een afbeelding van Maria en aan de andere zijde de beeltenis van Willibrord, ca. 1630, vormt een uitzondering. In 1704 geeft ‘t Hylo-er Ryskaartje’ een (pelgrims)route aan waarbij naast Onze Lieve Vrouw ter Nood ook de Willibrordusput en de (protestantse) Kerk werden aangeduid. In geschriften van latere tijd komt men de put nog wel tegen, maar deze moet in de schaduw staan van de, in 1713, weer ontsprongen waterbron op het terrein van Onze Lieve Vrouw ter Nood. Pas laat in de 19e eeuw is er sprake van een of meer zendingsfeest(en) die ter ere van Willibrord worden gehouden. Kleurige tekeningen van dhr. L. Konijn uit 1905 geven een bedevaartsroute aan van het -weer in opbouw zijnde- bedevaartsoord Onze Lieve Vrouw ter Nood naar de ‘Preekstoel’ in het Heilooër Bos. De route is zowel in een M-vorm (‘M’ van Maria) als W-vorm (‘W’ van Willibrord) te lezen. De verering van Willibrord staat echter doorgaans in de schaduw van de Mariaverering. Zijn beeltenis staat dan ook in een stil en donker hoekje van het bedevaartsoord.

Zoals uit het bovenstaande moge blijken: Willibrord laat Heiloo echter niet los en dat willen we toch graag weten.

Noten
In het algemeen is bij het schrijven van dit artikel gebruik gemaakt van informatie die in grote hoeveelheid beschikbaar is op het internet, o.a. de digitale encyclopedie ‘Wikipedia’.
Met dank aan Jan de Gruijter voor het meelezen en het bijeengaren van bronnen.

(1) Dit is een deel van de weg die in vroeger tijden doorliep tot de ‘Preekstoel’. Zie o.a. H. E. Oostendorp, Heiloo, Geschiedenis en verklaring van de straatnamen, 1987
(2) Routebeschrijving verkrijgbaar in het gemeentehuis en de Oudheidkamer Heiloo
(3) Citaat uit artikel Uitkijkpost 2 november 2010 over ‘Lezing archeologie over het Oer-IJ’
(4) C. Streefkerk e.a., Heiloo voor en na Willibrord, opstellen over de geschiedenis van Heiloo, 1995
(5) C. Dekkers e.a., Het land van Hilde, Archeologie in het Noord-Hollands kustgebied, 2006
(6) Gegevens ontleend aan M. Van Vlierden, Willibrord en het begin van Nederland, 1995
(7) M. Van Vlierden, Willibrord en het begin van Nederland, 1995
(8) Veel kinderen van welgestelde ouders werden al op zeer jeugdige leeftijd, veelal met 7 jaar, voor het kloosterleven bestemd (pueri oblati). Door de jonge leeftijd waren zij nog rein en konden zij helemaal voor het kloosterleven worden opgevoed.
(9) Daarnaast was het in een klooster treden voor minder gefortuneerden een van de weinige mogelijkheden om aan een leven van armoede te ontsnappen.
(10) A.G. Weiler, Willibrords missie, christendom en cultuur in de zevende en achtste eeuw, 1989. Peregrinatio betekent vertaald: ‘reis door/verblijf in het buitenland’.
(11) M. Van Vlierden, Willibrord en het begin van Nederland, 1995
(12) A.G. Weiler, Willibrords missie, christendom en cultuur in de zevende en achtste eeuw
(13) A. Delahaye, Ontspoorde historie, 1992
(14) A. Delahaye, De ware kijk op, 1984
(15) De eerste vermelding van Willibrord als patroon van de (katholieke) kerk in Heiloo stamt uit 1681. Zie W.A. Admiraal, Heiloo voor en na Willibrord, hoofdstuk XII, 1995
(16) W.A. Fasel, De mythe van St. Willibrord, 1991 (van Dale geeft als betekenis van mythe: “als juist aanvaarde maar ongefundeerde voorstelling omtrent een persoon, zaak of toedracht”, wb)
(17) In het Heilooër Bos is keramiek en zijn zilveren munten gevonden, twee sceatta’s (ca. 700) en een denarius (begin 8e eeuw). Daarnaast nog keramiek op drie andere plaatsen. Maar er zijn in Heiloo weinig vroegmiddeleeuwse sporen gevonden. Stuifzand heeft waarschijnlijk veel sporen afgedekt. Andere zijn verdwenen door afzanden en afgraven. In de jongere, westelijker gelegen strandwal(len) treft men meer sporen aan van de vroege middeleeuwen. (Informatie verkregen van archeoloog mw. Silke Lange.)
(18) Pippijn of Pepijn II van Herstal (ca. 645 -714) was, namens koning Theuderik III, de hofmeier, de uitvoerende gezagsdrager van het Frankische rijk.
(19) M. Van Vlierden, Willibrord en het begin van Nederland, 1995
(20) Ibidem
(21) Ibidem
(22) En niet zoals wel eens geschreven wordt (aarts)bisschop van Utrecht.
(23) Deze opvatting onderbouwt men op basis van brieven van Bonifatius (van ca. 753).
(24) J.W. de Vries e.a., Het verhaal van een taal, negen eeuwen Nederlands, 2003
(25) J., J., en B. Blokker, Nederland in twaalf moorden, 2008
(26) P.P.V. van Moorsel, Over Willibrord gesproken, 1989
(27) N. Beets, Gedichten Dl. 2, 1878
(28) J.A. de Rijk, St. Willibrordusput en de Preekstoel te Heiloo, Bijdragen voor de geschiedenis van het Bisdom Haarlem, 1873
(29) Over de aanwezigheid van Adelbert in Egmond bestaan overigens ook twijfels.
(30) H. Halbertsma, De Willibrordusput te Heiloo, opgravingen en historische achtergronden, Alkmaars jaarboekje, 1967.
(31) Willibrord heeft zelf in Noord-Frankrijk vele kerkjes aan St. Maarten gewijd.
(32) Tufsteen is een zachte steensoort van vulkanische oorsprong veelal afkomstig uit de Eifel (Duitsland). In de middeleeuwen vaak gebruikt als bouwmateriaal.
(33) H. Halbertsma, een onderzoek met de spade in het Witte Kerkje te Heiloo, Alkmaars jaarboekje 1966.
(34) J.A. de Rijk, St. Willibrordusput en de Preekstoel te Heiloo, Bijdragen voor de geschiedenis van het Bisdom Haarlem, 1873

Auteur: Wim Buwalda