Witte Kerk

De Witte Kerk van Heiloo heeft middeleeuwse wortels

De geschiedenis van de Witte Kerk in Heiloo, althans een kerkje op dezelfde plaats, gaat terug tot de eerste helft van de achtste eeuw, toen de eerste christenpredikers zich in deze streek vestigden. Dat waren monniken die vanuit Engeland en Ierland naar hier kwamen om onder de (West-)Friezen het evangelie te verkondigen.

Bij opgravingen tijdens de restauratie van de kerk in 1964-1966 zijn resten gevonden van een houten kerkje dat daar mogelijk rond het jaar 725 is gebouwd. Volgens de overlevering zou het kerkje gesticht zijn door Willibrord maar waarschijnlijker is, dat aan de stichting van het kerkje in Heiloo de naam van Bonifacius is verbonden.

De waterput bij de kerk is volgens voornoemde overlevering door toedoen van Willibrord ontsprongen en draagt om die reden zijn naam. Archeologisch onderzoek heeft uitgewezen dat de put inderdaad zeer oud is maar men heeft niet vast kunnen stellen of de put al in de tijd van Willibrord en Bonifacius aanwezig was.

Tot ver in de negentiende eeuw bestond deze Willibrordusput uit een bakstenen verschansing, opgetrokken in een zevenhoek juist boven de zandstenen platen van de putmantel. De put werd in 1881 vernieuwd naar een ontwerp van de beroemde architect P.J.H. Cuypers, een fraai smeedijzeren hekwerk in neogotische stijl met boven de put een putstolp waaraan een pomp was gekoppeld. Vanwege gebrek aan onderhoud was het nodig deze constructie in 1947 te vervangen en kreeg de put zijn huidige vorm, een bakstenen verschansing met putkraag, een katrol, een houten deksel tegen vervuiling en een afdak.

De Witte Kerk in vroeger tijden

Omstreden bezit

In 739 overlijdt Willibrord in het door hem gesticht klooster te Echternach, Luxemburg, waarbij hij zijn bezittingen nalaat aan deze Kloosterorde. In 1063 komt de kerk van Heilegelo, dat toen zo heette (in de loop der eeuwen is de naam van het dorp op ongeveer vijftig verschillende manieren geschreven), voor het eerst voor in een oorkonde. In dat document werd over het eigendomsrecht van de kerk gesproken. Na veel strijd tussen de graven van Holland, de Echternachse abdij en de bisschop van Utrecht werd in 1156 een overeenkomst getekend waarbij het klooster van Echternach zijn aanspraken op de kerk van Heiloo liet vallen en de graven van Holland officieel eigenaar werden. Deze graven hadden al in 1089 de kerk van Heiloo geschonken aan de abdij van Egmond.

In het begin van de twaalfde eeuw wordt op de plaats van het houten kerkje een tufstenen kerk gebouwd. Het schip van de kerk mat 21 bij 10 meter en ging over in een koor van ongeveer 9 bij 7 meter, afgesloten door een halfronde absis. De huidige toren stamt uit het begin van de dertiende eeuw. Het op de strandwal gebouwde tufstenen kerkje was de ‘moederkerk’ voor veel ‘dochterkerken’ in de omgeving. Het was lange tijd vanwege zijn opbrengsten ook een omstreden bezit: de gelovigen moesten jaarlijks ‘tienden’, een tiende deel van wat hun gewassen opbrachten, afstaan aan de kerk.

In de eerste helft van de vijftiende eeuw werd de kerk uitgebreid met een transept en een gotisch koor van 16 meter. Ook werd er een sacristie tegenaan gebouwd.

In verband met de grotere hoogte van het nieuwe gotische gedeelte is bij deze uitbreiding ook de toren verhoogd. Op dit verhoogde deel van de toren zijn in 1964 de wijzerplaten van de torenklok aangebracht.

In 1517 is de kerk ontsnapt aan de vernielingen van de Gelderse Friezen onder leiding van Grote Pier en ook heeft de kerk de Beeldenstorm in augustus 1566 (waarvoor de opkomst van het protestantisme in tal van Europese landen de aanleiding was) goed doorstaan.

Door brand verwoest

In oktober 1574, na het beleg van Alkmaar, werd de kerk van Heiloo door brand verwoest.

Aanleiding hiervoor was een gewapend conflict tussen rondtrekkende geuzenbenden en nog in de buurt aanwezige Spaanse troepen. Om zich de Spanjaarden van het lijf te houden is bij deze veldslag de kerk van Heiloo door de geuzen in brand gestoken. Het gotische koor en dwarsschip liepen door deze brand onherstelbare schade op, van het oudere romaanse gedeelte bleven de noord- en westmuur intact en ook de toren is min of meer gespaard gebleven. Pas in 1632 had men dit oude romaanse deel weer zover hersteld dat er diensten in konden worden gehouden. Van de huidige kerk is de noordelijke zijmuur nog de oorspronkelijke tufstenen muur uit de twaalfde eeuw en ook de westelijke muur waartegen de toren werd gebouwd is nog oorspronkelijk. De zuidelijke zijmuur en de driezijdige koorsluiting zijn zeventiende-eeuws.

De ruïnes van het gotische koor en dwarsschip zijn nog lang blijven staan en pas in de tweede helft van de achttiende eeuw afgebroken. De contouren van de grote vijftiende-eeuwse uitbreiding zijn door middel van bestrating goed zichtbaar aan de oostzijde van het kerkhof.

Ruïne van de oorspronkelijke Witte Kerk

In protestantse handen

Vanaf de Reformatie was de kerk van Heiloo, of wat daar nog van over was, voor de kleine gereformeerde geloofsgemeenschap van het dorp bestemd. De term gereformeerden was in die tijd de verzamelnaam voor alle personen die zich van de katholieke kerk hadden afgewend.

In 1586 kreeg Heiloo, samen met Egmond-Binnen, een eigen vaste predikant, dominee Everard J. Loot. Omdat in de kerk na de brand geen diensten konden worden gehouden hebben deze waarschijnlijk bij particulieren thuis plaatsgevonden. In 1591 vertrekt dominee Loot en wordt hij opgevolgd door dominee Pieter Jansz. Vanwege problemen houdt het dienstverband van Jansz. in 1625 op en worden de diensten in Heiloo verzorgd door predikanten uit de buurgemeenten.

Wanneer ten slotte in 1632 de kerk weer is hersteld en voor diensten geschikt is gemaakt wordt met Pinksteren dat jaar een eerste dienst geleid door dominee Justinius van der Meer. In 1633 vertrekt deze predikant naar Haringhuizen en neemt daar de plaats in van dominee Curtius, die vervolgens naar Heiloo wordt beroepen. Johannes Curtius zal slechts drie jaar in Heiloo kunnen werken, hij stierf in december 1636 ‘na veel verdriet en druck’ zoals op zijn grafsteen staat vermeld.

In 1650 is in de kerk een graftombe aangelegd waarin de leden van het geslacht Van Cats, in die tijd de Heren en Vrouwen van de Heerlijkheid Heiloo en Oesdom, na hun overlijden werden bijgezet. Vermoedelijk is in datzelfde jaar de grote luidklok in de toren opgehangen, dezelfde klok die anno 2018 nog steeds is te horen.

De eerste predikanten hebben de diensten geleid vanaf een eenvoudige lage preekstoel zonder klankbord e.d. die in het kerkschip, tegen de zuidelijke zijmuur was geplaatst. De predikant was gehuld in zijn gewone plunje en de gelovigen hoorden de preek staande aan.

Men dient bij dit alles te bedenken dat Heiloo (met Oesdom) in die tijd slechts een paar honderd inwoners had. In 1494 telde het dorp 115 ‘haardsteden’. In 1795 woonden er 455 mensen, van wie de meesten rooms-katholiek waren. Slechts 37 gezinnen waren toen bij de Witte Kerk aangesloten. Een eeuw later woonden er ongeveer 1900 personen, van wie 40 procent protestant. In 1948 was van 10.000 inwoners nog geen 25 procent protestant en in 1995 telde het dorp 21.000 inwoners, van wie er 1500 protestant waren. Op dit moment telt Heiloo ruim 23.000 inwoners.

Tijdens de Bataafse Republiek (1795-1806) kwam de scheiding van kerk en staat tot stand en raakte de gereformeerde kerk haar gezag en invloed kwijt. De Nederlandse Hervormde Kerk ontstond, mede door toedoen van koning Willem I, en kreeg in april 1816 haar naam bij Algemeen Reglement. De Witte Kerk stond dus voortaan op naam van de hervormde gemeente Heiloo.

Restauraties

De afgelopen twee eeuwen werd de kerk enkele malen grondig gerestaureerd. Bij de verbouwing van 1821 verhuisde de preekstoel naar een plaats voor de middelste muur van het koor. Voor deze verandering moest het middelste koorraam worden dichtgemetseld.

Het koor werd van de kerkzaal afgesloten door het doophek, dat nu nog in de kerk aanwezig is. Nu bevindt zich dit doophek rond de preekstoel. De totale restauratiekosten bedroegen in die tijd 2.200 gulden, een bedrag dat voor een deel werd gefinancierd door het fonds van de hervormde synode en ook de provincie leverde een bijdrage in de kosten.

In 1842 vindt weer een grote onderhoudsronde plaats, nu is vooral herstel van het dak nodig. Totale kosten 1.700 gulden, die net als in 1821 voor een deel door de kerk en de leden van de kerkgemeente moet worden opgebracht maar waarvoor ook nu van de hervormde synode en de provincie ondersteuning wordt ontvangen.

In 1863 vindt wederom een grote restauratie plaats. Het blijkt onder andere nodig de volledige zuidmuur te vervangen, die in de loop van de jaren uit het lood was komen te staan, een probleem dat veel lekkages tot gevolg had. Een andere belangrijke ingreep was het vervangen van de houten ramen door gietijzeren kozijnen.

Tijdens deze restauratie werd ook besloten de kerk wit te schilderen, op die manier vielen de talloze herstellingen aan de muren minder op. In 1863 wordt ook de zerkenvloer in de kerk volledig gerestaureerd. Al geruime tijd was het verboden om te begraven in de kerk en dit betekende dat het voortdurend verzakken van de kerkvloer vanwege telkens nieuwe graven niet meer aan de orde was. Vanaf die tijd was er een blijvend vlakke en stevige vloer in de kerk. Totale kosten van de restauratie in 1863: 4.020 gulden.

De volgende restauratie vindt plaats in de jaren 1964 – 1966. Bij dit grootschalig onderhoud onder leiding van architectenbureau Rappange uit Amsterdam krijgt de kerk haar huidige uitstraling. Er vinden belangrijke ingrepen plaats. De ingang van het kerkgebouw wordt verplaatst naar de toren, de gietijzeren kozijnen worden weer vervangen door houten ramen en de trans rond de toren verdwijnt. In de originele tufstenen noordmuur worden twee oorspronkelijke romaanse ramen weer zichtbaar gemaakt en de oorspronkelijke ingang, het zogenoemde noormannenpoortje, wordt weer vrijgemaakt en gaat dienst doen als nooduitgang. De galmgaten in de toren en de wijzerplaten van de torenklok verwisselen van plaats en de oorspronkelijke indeling van de houten vloeren in de toren wordt hersteld.

Witte Kerk met trans

Tijdens deze restauratie wordt ook het interieur van de kerk sterk veranderd. De preekstoel krijgt weer een plaats in het schip, tegen de zuidmuur, waardoor het in 1821 dichtgemetselde raam weer kan worden opengebroken. Ook verwijdert men het houten schot dat de kerkruimte in tweeën deelde, zodat de ruimte voor de kerkdiensten aanzienlijk wordt vergroot. De orgelgalerij met het orgel wordt in de richting van de toren verplaatst. Het oude orgel wordt daarbij vervangen door een nieuw, mechanisch pijporgel. De zerkenvloer is tijdens de restauratie verwijderd geweest en na de werkzaamheden weer hersteld. De oorspronkelijke grafstenen zijn alle zichtbaar in de vloer opgenomen. De grote, oude zijbanken, waaronder de zogenaamde ‘herenbanken’, zijn na de restauratie niet meer in de kerk teruggekeerd.

Tijdens de restauratie is op beperkte schaal archeologisch onderzoek gedaan in de kerk waarbij waardevolle informatie is verkregen over de oudste geschiedenis van de kerk.

Kring van Heiloo

Eén bijzondere periode uit de geschiedenis van de Witte Kerk mag niet onvermeld blijven. In 1836 werd ds. J.P. Hasebroek (1812 – 1896) predikant in Heiloo en betrok hij, zoals hij het zelf omschreef, ‘een lief, net huisjen, achter het groen van drie lindeboomen wegschuilende en door een grasperk, dat speelveld der dorpsjeugd is, van den grooten weg naar Alkmaar afgescheiden’. Dat ‘huisjen’ is het enkele keren gerestaureerde en uitgebreide witte pand aan de overkant van de Kennemerstraatweg; vanaf 1982 deed het een kleine dertig jaar dienst als oudheidkamer van de Historische Vereniging.

Toen de dominee-dichter Hasebroek zich in Heiloo vestigde, was hij net in Leiden afgestudeerd als literator. Hij bewoonde de pastorie (‘De oude Pastory’) samen met zijn zuster Betsy, schrijfster van romans, die was meegekomen om het huishouden te doen. Zijn woning werd al spoedig een ontmoetingsplaats voor dichters als Nicolaas Beets (1814 – 1903, onder het pseudoniem Hildebrand bekend als auteur van de Camera Obscura), A.L.G. Toussaint (de later Truitje Bosboom-Toussaint), Jacob van Lennep, W.J. Hofdijk en E.J. Potgieter.

De groep jonge schrijvers/dichters ging de geschiedenis in als ‘De kring van Heiloo’. De ‘kring had geen direct literair doel. Het ging om onregelmatige, toevallige bijeenkomsten van jonge mensen, literair begaafd of gegrepen door de toen moderne richting der romantiek.

Nicolaas Beets, in 1839 als theoloog summa cum laude gepromoveerd, nam het Hasebroek kwalijk dat hij maar in Heiloo bleef hangen en niet opschoof voor hem (al vond schoonmoeder Van Foreest, wonend op Nijenburg in Heiloo, dit een veel te nederige plaats voor het Leidse genie). Beets vergat echter dat Hasebroek geen invloed kon uitoefenen op een beroeping elders. Uiteindelijk werd Beets in 1840 predikant in Heemstede, terwijl Hasebroek in 1843 naar Breda vertrok, waarmee het einde van de ‘Kring van Heiloo’ werd bezegeld.

Orgels en luidklok

In 1849 wordt door bemiddeling van de toenmalige predikant, ds. Abresch, een orgel in de kerk geïnstalleerd. Hoewel het aankoopbedrag, 600 gulden, door enkele personen is toegezegd en dus niet ten laste van de geloofsgemeenschap komt, is er toch enige aarzeling bij een deel van de kerkvoogden om tot aanschaf over te gaan. Pas wanneer er ook een bedrag is toegezegd voor onderhoud en voor de kosten van een organist wordt het aanbod aanvaard. Helaas blijkt het orgel niet goed te voldoen. Al in 1862 wordt het instrument vervangen. L. Ypma, orgelbouwer te Alkmaar, biedt aan een orgel te plaatsen van twee klavieren voor een bedrag van 1000 gulden. In 1936 heeft groot onderhoud aan dit orgel plaatsgevonden waarbij, zo wordt in 1964 geconstateerd, op een onzalig moment in de dertiger jaren het tweede klavier er uit werd gesloopt. In 1966 wordt het orgel volledig gerestaureerd door de bekende Zaandamse orgelbouwer Flentrop waarbij men gebruik maakt van een front met pijpen uit een orgel uit 1740. De balustrade en het front van het orgel, dat uit de achttiende eeuw stamt, zijn gehandhaafd.

Het orgel in de kerk

In het koor van de kerk staat een miniatuur orgel, een z.g. kabinetorgel, dat rond 1810 is gebouwd en voor koorzang kan worden gebruikt. In 1987 kwam het door een schenking van de heer D.A. Flentrop in het bezit van de hervormde gemeente.

De luidklok is in 1613 door Johannes Breutelt in het Duitse Altzey gegoten. Breutelt was een klokkengieter uit Litouwen. De klok heeft een doorsnede van 1,3 meter en weegt 1.370 kilo. In de oorlogsjaren werd de klok aanvankelijk gespaard vanwege de monumentale status maar uiteindelijk toch op last van de bezetter uit de toren verwijderd. Samen met andere klokken van monumentale waarde heeft men de klok per binnenvaartschip naar Hamburg willen vervoeren, maar op het IJsselmeer, ter hoogte van Urk is het schip aan de grond gelopen door toedoen van de schipper. Na de oorlog zijn de klokken uit het water gevist en heeft Heiloo zijn klok, volledig gerestaureerd, weer teruggekregen. In 1949 is de klok weer in de toren teruggeplaatst.

In het najaar van 2001 werd de laatste wekelijkse eredienst van de hervormde gemeente gehouden. In dat jaar namen de hervormden samen met de gereformeerden de Ter Coulsterkerk aan de Holleweg in gebruik. Deze uit de jaren zeventig daterende rooms-katholieke ‘Moeder Godskerk’ werd eerst ingrijpend gerenoveerd en uitgebreid.

Witte Kerk 2011

Concerten

Nu wordt de Witte Kerk nog gebruikt voor het voltrekken en het kerkelijk bevestigen van huwelijken, voor bijzondere kerkdiensten – cantatediensten, vespers, choral evensongs en diensten in de stille week – en voor exposities en concerten. Inmiddels zijn die concerten niet meer weg te denken uit het culturele leven van Heiloo. Al sinds het begin van de jaren zeventig worden in de kerk uiteenlopende concerten gegeven, zowel vocaal als instrumentaal. Ook het orgel leent zich daar uitstekend voor.

Een van de initiatiefnemers was dhr. Hoogkamp, destijds president-kerkvoogd van de hervormde gemeente. Hij achtte het van groot belang dat de inwoners van Heiloo op enigerlei wijze plezier beleefden aan de eigen sfeer en de voortreffelijke akoestiek van dit karakteristieke gebouw. Met het inrichten van tentoonstellingen van beeldende kunst en schilderkunsten en het organiseren van concerten wordt al meer dan veertig jaar aan die wens inhoud gegeven.

Zo staat de Witte Kerk, met een eeuwenoude geschiedenis, in het hart van Heiloo, als een groots monument in kerkelijk én cultureel opzicht.

Jaap de Graaf

Het complete verhaal over de Witte Kerk is te vinden in het boek ‘Meer dan 1000 jaar Witte Kerk in Heiloo’