Witte Kerk

De “Witte Kerk” van Heiloo

Inleiding

De Witte Kerk in Heiloo is onverbrekelijk verbonden met de gemeente en haar inwoners.
Lange tijd vormde het letterlijk en figuurlijk het centrum van Heiloo en was zij in haar beginjaren zelfs beeldbepalend voor haar directe omgeving.
Er zullen maar heel weinig inwoners zijn die de Witte Kerk niet kennen. Wie zich in Heiloo van noord naar zuid verplaatst, of omgekeerd, komt er langs.
En anders maakt een bezoek aan het gemeentehuis of het winkelcentrum ’t Loo een ontmoeting welhaast onvermijdbaar.
Op deze webpagina wordt voornamelijk ingegaan op de ontstaansgeschiedenis van de Witte Kerk en haar bouwkundige aspecten.

De ontstaansgeschiedenis van de Witte Kerk.
De “Witte Kerk” van Heiloo heeft een lange geschiedenis. Rond het jaar 700 staken de Benedictijner monniken Willibrord (658-739) en Bonifatius (672-754) met elf gezellen, waaronder Adelbert, vanuit Engeland over naar het huidige Nederland om de heidenen hier te kerstenen.
Willibrord bekeerde op die manier velen tot het christendom en Bonifatius verdiepte hun geloof door zijn prediking en wordt ook als de architect van het christelijke geloof in West-Europa beschouwd.
Het bestrijden van het oude geloof was aanvankelijk niet eenvoudig, maar had het woord van de zendeling in zijn werkterrein eenmaal voldoende ingang gevonden, dan bouwde hij er samen met de bekeerden een kerkje. Vaak werden moederkerken gebouwd op een plaats die door de heidense bevolking die er woonde voordien al als een heilige plek werd beschouwd. Zodoende sloeg de zendeling twee vliegen in één klap, want de plek waarop het kerkje verrees vervulde de nieuwe gelovigen ook voordien al met diep respect.
Zo verrezen er in die tijd in Nederland kerkjes. Vele daarvan worden in oorkonden genoemd, maar slechts zelden is de juiste datum van een kerkstichting te achterhalen.
Volgens de overlevering werd ook de kerk in Heiloo gesticht door Willibrordus.
Wanneer het eerste kerkje in Heiloo is gebouwd is niet bekend. Men kan wel vermoeden dat de ontstaansgeschiedenis van de Witte Kerk zijn oorsprong vindt in de periode dat de kerstening plaatvond.
Omstreeks 726 schonk Willibrord alle goederen, die hem door weldoeners waren afgestaan, aan het door hem gestichte klooster te Echternach. Men mag aannemen dat hieronder ook door hem gestichte kapellen waren, waaronder die van Heiloo. Willibrord overleed in 739 te op hoge leeftijd.
De kerk van Heiloo wordt voor het eerst genoemd in een aantekening van een sacramentarium van de Abdij van Egmond, in het begin van de elfde eeuw. (Een sacramentrium is een handschrift met de zogenaamde formuliergebeden die tijdens een mis of wijding worden uitgesproken)
De kerk heette toen Willibrorduskerk. Deze kerk was een moederkerk, met de kapellen van Alkmaar, Egmond, Oudorp en Vronen (St. Pancras) als dochterkerken. In een oorkonde van 28 december 1063 blijkt dat de kerk van Heiloo en nog andere moederkerken door Willibrord waren gesticht.
Het eerste houten kerkje moet de naam van een andere heilige hebben gehad, omdat Willibrord veel kerken aan Sint Maarten heeft gewijd en het zeer onwaarschijnlijk is dat hij kerken naar zichzelf vernoemde.

Afbeelding Witte Kerk in vroeger tijden

Later zouden de graven van Holland, met name Diederik III en zijn zonen, zich wederrechtelijk in het bezit van deze kerken hebben gesteld. Hierna komt de kerk regelmatig voor in documenten in verband met de strijd om de eigendomsrechten.
In 1156 werd de kerk eigendom van Diederik VI.
Daarna werd de kerk in 1474 eigendom van de Abdij van Egmond.
Alle bezittingen en inkomsten werden opgenomen in het kloosterbezit van deze abdij. Het was een belangrijk bezit voor de abdij van Egmond, die voortdurend in geldnood verkeerde en de inkomsten goed kon gebruiken. De inning van de gelden zorgde echter nog wel eens voor problemen. Zo werd pastoor Jacob Sijmonsz van Heiloo in 1499 geëxcommuniceerd omdat hij weigerde de inkomsten van de kerk aan het klooster af te dragen.

In 1586 werd ds. Sloot beroepen als de eerste predikant van Heiloo samen met Egmond-Binnen. Pas in 1619, onder Pieter Jansz, werd Heiloo een afzonderlijke, dus zelfstandige kerkelijke gemeente.
Na het vertrek van Pieter Jansz. werd J. Curtius in 1633 de eerste eigen predikant in Heiloo.
Toen men in 1630 over ging tot het verbieden van het rooms-katholieke geloof, kwam de kerk in handen van de gereformeerden. Het rooms-katholieke geloof heeft zich in Heiloo echter goed kunnen handhaven. In 1947 telde Heiloo 9944 inwoners en daarvan waren er 5379 (54%) rooms-katholiek.
Tijdens de Bataafse Republiek (1795-1806) kwam de scheiding van kerk en staat tot stand en daarmee raakte de kerk haar gezag en invloed kwijt. De Nederlandse Hervormde Kerk ontstond, mede door toedoen van koning Willem I, en kreeg in april 1816 haar naam bij Algemeen Reglement. In 1874 werd de kerk op naam van de Hervormde gemeente gesteld. De toren en het kerkhof met het lijkenhuisje kwamen op naam te staan van de burgerlijke gemeente.

Het sleutelincident
De gereformeerde kerk raakte na 1795, na de ‘Franse tijd’, haar bevoorrechte positie kwijt. Dit was voor enige katholieke inwoners van Heiloo en Bakkum de aanleiding om op 18 december 1798 te eisen toegang tot de kerk te verkrijgen om een eredienst (‘kerstmis’) te houden. Dominee Van der Ven weigerde echter de sleutel van de kerk af te staan. De eisers lieten een proces-verbaal opmaken van hun verzoek en de weigering van de predikant. Dit leidde echter niet tot het verlenen van de gewenste toegang. Het proces-verbaal berust in het Regionaal Archief in Alkmaar en de sleutel van de kerk is een pronkstuk van het archief van de Historische Vereniging Oud Heiloo.

De bouwkundige ontwikkeling van de Witte Kerk
De eerste kerkjes en kapellen waren uit hout opgetrokken gebouwtjes.
Bij latere opgravingen tussen 1965 en 1967, onder leiding van de heren Cordfunke en Van Pernis, bleek, dat het eerste houten kerkje in Heiloo was gebouwd op een oudere begraafplaats. Omstreeks 726 moet er al een houten kerkje hebben gestaan. Enkele paalgaten konden nog worden waargenomen. Ook de tufstenen kerk die in de elfde eeuw daar weer overheen was gebouwd kon men reconstrueren, met de plaats van altaar en koor. Het was een eenbeukig, rechthoekig bouwwerk met een lengte van 21 meter.
Vanaf ongeveer het jaar 1000 werd hout als bouwmateriaal vervangen door steen. In de elfde eeuw werd op de plaats van het eerste houten kerkje dus een tufstenen kerk gebouwd. Dit bouwmateriaal werd tot ver in de twaalfde eeuw in deze streek het meest gebruikt. Het werd geïmporteerd uit de Rijnstreek ten zuiden van Bonn.
De noordelijke muur van de kerk is het oudste gedeelte, zij bestaat nog uit tufsteen. De bakstenen toren is er later bij aangebouwd, wellicht in de dertiende eeuw. Omdat er schietgaten in waren aangebracht, kon de toren ook als verdedigingswerk dienst doen.
Voordat de kerk haar huidige vorm kreeg, is er echter heel wat aan verbouwd, herbouwd en aangebouwd.
De oudste en ook enige afbeelding van de oorspronkelijke kruiskerk komt voor op een kaart van de onbedijkte Berger- en Egmondermeer van 1560.

Afbeelding oorspronkelijke kruiskerk uit 1560

In 1568 werd de kerk door brand zwaar beschadigd. Na het herstel werd de kerk in 1569 door de bisschop van Haarlem opnieuw gewijd.
De bevolking van Heiloo had het omstreeks 1570 echter zwaar te verduren. In het voorjaar van 1571, tijdens de Tachtigjarige Oorlog, sloot de Alkmaarse burgerij de poorten van de stad voor Spaanse soldaten die moesten worden ingekwartierd. In 1573 hield Alkmaar ook de geuzen van Diederikvan Sonoy zolang mogelijk buiten de stadsmuren.
Daarvan werden de dorpen rondom de stad de dupe. Want om te voorkomen dat
Spaanse troepen tijdens de belegering van Alkmaar onderdak in kerken en kloosters zouden kunnen vinden werden deze gebouwen door Sonoy verwoest. De kerk van Bergen werd een ruïne en is dat gedeeltelijk nog. De kerk en het klooster in Egmond werden vernield en de kerk in Heiloo werd verwoest.

Eerst toen Heiloo in 1630 kerkelijk van Egmond werd gescheiden, werden de ruïnes wat opgeknapt. Er werd een koorafsluiting aangebracht, zodat in het voorste gedeelte weer diensten konden worden gehouden. De kerk was oorspronkelijk bijna twee keer zo groot als nu. De oorspronkelijke afmetingen heeft men later met een pad van klinkers aangegeven en zijn aan de oostzijde van de kerk te zien.
Het oorspronkelijke laatgotische koor van de kerk is, blijkens oude tekeningen, nog lange tijd als ruïne blijven bestaan en vele jaren het dorpsbeeld beheerst.
Pas in 1764 is men begonnen met de afbraak van deze laatste ruïnes. Het afbreken duurde twee jaar en Pieter Ceret kreeg voor deze arbeid per drie-en-een-halve dag f 2,90 uitbetaald door de kerk.
De kerk had geen orgel en verkeerde voortdurend in slechte staat.
In het begin van de negentiende eeuw kon herstel niet langer worden uitgesteld. In september 1822 deelden de kerkvoogden mee dat met de restauratie zou worden begonnen. Het herstel kostte f 1700,-, waarvan het Rijk f 1200,- voor zijn rekening nam. Een en ander zal dus niet spectaculair zijn geweest. Bij deze restauratie kreeg het kerkje overigens wel zijn witte muren. Het muurtje rondom de kerk dateert pas uit 1950. Daarvoor werd het kerkterrein omgeven door een haag. Deze was al heel oud. In 1829 kreeg de gemeente toestemming van gedeputeerde Staten om de haag rondom de begraafplaats te handhaven, in plaats van een voorgeschreven sloot.
Dominee Hasebroek, die van 1836-1843 hier predikant was, wees regelmatig op de slechte staat waarin de kerk verkeerde. Op zijn aandringen werden in 1842 het dak, de binnenzolder en het schilderwerk van het hele gebouw stevig ter hand genomen.

De klok die in de toren hing, was in 1613 gegoten door Johannes Breutelt uit Alzey in Duitsland. Wanneer de klok precies in de toren is aangebracht, is niet bekend. Wel dreigde deze op een gegeven moment weer naar Duitsland terug te keren. Op 28 mei ‘1943 werd de klok door de Duitse bezetters uit de toren van de Witte Kerk weggehaald. De klok is daarna opgeslagen geweest in een loods van de glasfabriek te Leerdam. Toen daar in 1944 voldoende klokken waren verzameld werden alle klokken op een schip geladen en op transport gesteld naar Duitsland, om daar te worden omgesmolten om zo als grondstof te kunnen dienen voor nieuw wapentuig. Het schip is echter in de buurt van Urk gezonken. De kapitein van het schip claimde dat hij het schip expres had laten zinken. Na de oorlog zijn de gezonken klokken onder leiding van Rijkswaterstaat weer boven water gehaald.
De klok uit de Witte Kerk vertoonde toen enkele scheuren, maar hij kon door de NV IJzergieterij en Machinefabriek J. Zimmer en Zonen uit Amsterdam weer worden gerepareerd. In juni 1949 werd hij weer in de toren opgehangen. De klok heeft een diameter van 130 cm en een gewicht van 1370 kilo. Zij is voorzien van een randschrift. De klok is versierd met zes zegels, twee afbeeldingen van Bijbelse personen, engelenkopjes en acanthusbladeren.
Het mechanisch uurwerk is van de hand van Eijsbouts en is in 1925 geplaatst.
Na enkele incidentele reparaties, onder meer na de blikseminslagen in 1863 en 1916, werd pas in 1964 begonnen met een grondige restauratie van de kerk die in 1966 werd voltooid. Bij deze restauratie is de trans onder de torenspits verwijderd. Ook werden toen in de noordelijke muur weer twee kleine rondboogvensters zichtbaar gemaakt.

Witte Kerk met trans

Het interieur van de kerk is het aanzien nog zeer de moeite waard. De preekstoel is van eikenhout en in zeventiende-eeuwse stijl vervaardigd. Hij is zeer eenvoudig, evenals het doophek. Een gestoelte met snijwerk draagt de kenmerken van de achttiende eeuw. Het koperwerk in de kerk bestaat uit een preekstoellezenaar en een voorgangerslezenaar met het wapen van de gemeente. Verder vindt men er een doopbekkenhouder en twee doophekbogen. In de kerk hangen twee kaarsenkronen met ieder veertien kaarsenhouders en beiden zijn voorzien van vier wapenschilden. Zij dragen het wapen van de familie Van Cats die in de zeventiende en achttiende eeuw eigenaar was van het landgoed Ter Coulster.
In 1964 is bij de grote restauratie ook het interieur aangepast. De zitbanken aan de zijkanten en achterin de kerk zijn toen verwijderd. De preekstoel en het orgel werden verplaatst.
De kerk is tussen 1822 en 1829 wit geschilderd om de eerdere herstelwerkzaamheden, die de kerk meer op een lappendeken deed lijken, te verhullen.
Pas sinds de Tweede Wereldoorlog wordt gesproken over het Witte Kerk(je).
De tijden dat de boeren uit de wijde omgeving met tentwagen of tilbury ter kerke togen en bij De Rustende Jager uitspanden, zijn al lang voorbij en er is veel veranderd. De Rustende Jager en het oude centrum tussen de Van der Veldenstraat – Heerenweg – Holleweg – Kerkelaan is al lange tijd voorgoed verdwenen, maar de Witte Kerk is gebleven. En al wordt er niet meer gepreekt; het is een kerk met een eeuwenoude geschiedenis, die door alle tijden heen als een waar monument het centrum van Heiloo is blijven beheersen.
Sinds 2001 wordt de kerk niet meer als zodanig gebruikt omdat in dat jaar de Ter Coulsterkerk de hoofdtaak als Protestantse kerk over nam. In de Witte Kerk worden alleen nog bijzondere vieringen gehouden. Het gebouw wordt ook gebruikt voor het voltrekken en kerkelijk bevestigen van huwelijken en als cultureel centrum . Er worden dan ook geregeld concerten gegeven en exposities georganiseerd.

Witte Kerk 2011

De orgels

De Witte Kerk heeft twee orgels. Het zogenoemde grote orgel is in 1966 door Flentrop samengesteld uit een front met pijpen uit een orgel uit 1740. Het originele orgel kwam uit een Rooms-katholieke schuilkerk in Alkmaar.
Naast het grote orgel staat er in de kerk ook een, door een vooralsnog onbekende orgelmaker, kabinetorgel uit 1810. In 1950 koopt D.A. Flentrop het van een particulier te Brummen. Dit orgel is in 1987 gerestaureerd en datzelfde jaar ook door Flentrop Orgelbouw (Zaandam) in de kerk geplaatst. Het kabinetorgel valt onder de bescherming van rijksmonumenten.

De Willibrordusput

Bij het zicht op de Witte Kerk hoort natuurlijk de Willibrordusput. Dit is gezien oude prenten al heel lang zo. Het is zeer onwaarschijnlijk is dat Willibrord zelf in Heiloo is geweest en het kerkje heeft gesticht en volgens de overlevering op zijn trektocht door de kuststrook van Kennemerland en West-Friesland hier op miraculeuze wijze een bron heeft doen ontspringen. In ieder geval is het vóór de kerk gelegen putje later naar hem vernoemd.
Voor zover uit opgravingen is gebleken kan de put niet zijn aangelegd voor de tiende eeuw.
Vanaf de zestiende eeuw tot ver in de negentiende eeuw bestond deze ‘Willibrordusput’ uit een eenvoudige bakstenen verschansing, opgetrokken in een zevenhoek juist boven de zandstenen platen van de putmantel. Het putje werd vernieuwd in 1881, naar een ontwerp van de beroemde architect P.J.H. Cuypers. In de periode 1947-1951 kreeg het zijn huidige vorm: de bakstenen ommuring en putkraag, een katrol, een houten deksel tegen vervuiling en een afdak, vervaardigd op advies van paters van de Egmonder abdij.
In 2010 vond een restauratie van de put plaats zonder enige verandering.

De Willibrordusweg
Op de hoek van de Kuillaan en de Westerweg, tegenover het huis van de boswachter, ligt aan de kant van de ijsbaan een aarden wal. Men noemde deze verhoging ‘de preekstoel’.
Volgens een andere legende zou Willibrordus via een pad dwars door het bos, later Willibrordusweg geheten, zich hier naartoe hebben begeven om er voor zijn nieuwe gelovigen te preken.

Besluit

In dit artikel is alleen geschreven over de Witte Kerk. Hier wordt niet ingegaan op onderwerpen die er nauw aan zijn verwant.
Er wordt in dit bestek bijvoorbeeld niet ingegaan op de relatie met de Heilooër Kring, de begraafplaats rond de kerk en archeologische bevindingen.
Onderwerpen die op zich wel interessant zijn.
Meer informatie over de Witte Kerk kan men terugvinden bij het Regionale Archief Alkmaar, alwaar ook het oude archief (van 1688 tot 2004) van de Hervormde Gemeente Heiloo is te raadplegen.

De Witte Kerk en Heiloo zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dit zal voorlopig ook wel zo blijven.
Immers, de kerk en kerktoren zijn sinds 15 november 1967 beschermd als rijksmonumenten.. Het interieur van de kerk plus bijbehorende elementen vallen daarbij onder de bescherming van de kerk.
De toren, luidklokken en klokkenstoel vallen onder de bescherming bij de kerktoren.

Bronnen

Als basis voor deze webpagina is met toestemming gebruik gemaakt van de tekst uit het boek: “Heiloo toen het dorp nog dorp was” van J. de Gruijter en P.Stoffers

Overige bronnen

De geschiedenis van het Witte Kerkje te Heiloo,E.H.P.Cordfunke, Alkmaars Jaarboekje 1966
Een onderzoek met spade in het Witte Kerkje te Heiloo, H.Halbertsma, Alkmaars Jaarboekje 1966
Heiloo door de jaren heen, Henk Oostendorp, uitg. De Uitkijkpost, 1994
Heiloo voor en na Willibrord, C. Streefkerk e.a., uitg. gemeente Heiloo, 1995
S.Willibrord, een missionaris uit de achtste eeuw, dr. Aug. de Vries, uitg. Kinheim, 1939
De betekenis van Willibrord voor Heiloo, Wim Buwalda, uitg. Hist.Ver.Oud Heiloo, 2010
Witte Kerk Heiloo heeft Middeleeuwse wortels, L. de Ruiter (ongedateerd)
Wikipedia (ongedateerd)

Dick Slagter